Ongeveer een derde van de Belgen bevindt zich in een precaire situatie. Het zijn mensen die ofwel arm zijn (16%) ofwel tot de lage middenklasse behoren en het moeilijk hebben om de eindjes aan elkaar te knopen (18%). Dat blijkt uit een nieuwe studie van de KULeuven (Van Lancker, Robben, Van den Heede) over de evolutie van de lage middenklasse in België. Ze voerden deze uit in opdracht van denktank Minerva en Decenniumdoelen, het anti-armoedeplatform waar wij als ABVV ook in vertegenwoordigd zijn. De lijvige studie onderzocht de evoluties tussen 1985 en 2015 en deelde de Belgische bevolking in vijf categorieën onder op basis van het netto belastbaar inkomen[1]: armen (minder dan 60 procent van het mediaan netto beschikbare inkomen), lage middenklasse (tussen 60 en 80 procent), kernmiddenklasse (tussen 80 en 120 procent), hoge middenklasse (120-200 procent) en rijken (meer dan 200 procent).

Op dertig jaar tijd is het aandeel eenoudergezinnen verdrievoudigd in de groep van armen en lage middenklasse.

Eenoudergezinnen zijn zwaar oververtegenwoordigd in de precaire groep van armen. In Vlaanderen moet 1 op 5 (20%) van de alleenstaande ouders rondkomen met een gezinsinkomen onder de armoedegrens (bij koppels is dit slechts 5%). Dat schreven we al in onze vorige blog over ons eenouderdossier. De studie van de KU Leuven bevestigt dit en toont aan dat eenoudergezinnen ook oververtegenwoordigd zijn in de zogenaamde ‘lage middenklasse’. Meer zelfs, op dertig jaar tijd is het aandeel eenoudergezinnen verdrievoudigd in de groep van armen en lage middenklasse (p. 22). Ze zijn onderdeel van wat de onderzoekers de ‘nieuwe precariteit’, de nieuwe kwetsbaarheid noemen.

Terwijl ze maar zes procent van de totale bevolking uitmaken, bedraagt hun aandeel in de armste inkomensklasse meer dan 15% en zo’n 8% in de lage middenklasse.

Onderstaande grafiek toont de oververtegenwoordiging van alleenstaande ouders met kinderen in de lagere inkomensklasse aan. Terwijl ze maar zes procent van de totale bevolking uitmaken, bedraagt hun aandeel in de armste inkomensklasse meer dan 15% en zo’n 8% in de lage middenklasse.

Bron: Somers, M. (2018). Een nieuwe kwetsbaarheid. De lagere inkomensklassen in België (1985-2016). Een analyse op basis van het CeSO-rapport ‘De lage middenklasse in België’ (p. 7)

Van kostwinner naar tweeverdieners

Eenoudergezinnen kunnen niet meer tippen aan de levenstandaard van de kernmiddenklasse met een dubbel inkomen. Niet alleen omdat hun inkomen achterblijft, maar ook omdat de gestegen levensstandaard van de middenklasse de prijzen opdrijft.

Maar hoe komt dit nu? Mathias Somers schrijft deze evolutie grotendeels toe aan een belangrijke shift in ons maatschappijmodel. Namelijk de verschuiving van het kostwinnersmodel (hierin volstaat 1 inkomen, traditioneel dat van de man, om een gezin te vormen en tot de kernmiddenklasse te behoren) naar het tweeverdienersmodel (waarbij beide partners aan het werk zijn) en daarmee samenhangend; de centrale rol van ‘betaald werk’. In het tweeverdienersmodel ligt het beschikbaar inkomen logischerwijs een pak hoger dan in het kostwinnersmodel, wat natuurlijk grote gevolgen heeft voor de levensstandaard van wie maar over één inkomen beschikt, zoals eenoudergezinnen. Uit cijfers van het steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting (voor België) blijkt dat alleenstaanden (21,9%) en eenoudergezinnen (39,7%) meer geconfronteerd worden met armoede dan gezinnen met meerdere inkomens. Eenoudergezinnen kunnen niet meer tippen aan de levenstandaard van de kernmiddenklasse met een dubbel inkomen. Niet alleen omdat hun inkomen achterblijft, maar ook omdat de gestegen levensstandaard van de middenklasse de prijzen opdrijft voor een aantal essentiële voorzieningen (denk maar aan de woning- en energieprijzen, de kinderopvang, etc).

En terwijl de norm de voorbije decennia volledig is omgeslaan naar dat van tweeverdieners, zien we tegelijk meer en meer (om het in een mooi woord te zeggen) ‘gezinsverdunning’.

En terwijl de norm de voorbije decennia volledig is omgeslaan naar dat van tweeverdieners, zien we tegelijk meer en meer (om het in een mooi woord te zeggen) ‘gezinsverdunning’. Het aandeel alleenstaande ouders met kinderen is sinds 1985 meer dan verdubbeld. In Vlaanderen is 14,2% of bijna 1 op 6 van de gezinnen een eenoudergezin. Samen zorgen ze voor zo’n 180.000 kinderen tussen 0 en 18 jaar (Kind & Gezin, 2018).

Lage lonen benen niet bij

De laagste inkomensgroepen verliezen dus steeds meer aansluiting met de middenklasse die drijft op dubbele inkomens op de arbeidsmarkt (p. 12). Wie daar niet kan op rekenen, is gesjareld. Maar zelfs gezinnen waar wel (dubbel) gewerkt wordt, hebben het volgens de onderzoekers van de KULeuven moeilijk. Dat komt omdat de lonen van de lagere inkomensklassen steeds verder achterop hinken op de hogere lonen. De kloof tussen de lage inkomensgroepen en de rest van de samenleving wordt dieper. De onderzoekers wijzen erop dat de overheid hier tekort schiet. Ze slagen er minder en minder in om werkende mensen uit de lagere inkomensgroepen op te tillen naar de middenklasse.

Zelfs gezinnen waar wel (dubbel) gewerkt wordt, hebben het volgens de onderzoekers van de KULeuven moeilijk.

Werk is belangrijk om uit armoede te geraken, maar méér werken betekent niet meteen persé een hoger inkomen (dat kon je ook al lezen in onze blog over werknemers die ondanks tewerkstelling toch een ernstig armoederisico lopen. Opvallend is ook dat de inkomens van de mensen in armoede en lage middenklasse trager groeiden dan die van de hogere inkomensgroepen; 1% per jaar bij armen, 1,4% bij de actieve lage middenklasse en 1,6% bij de hogere inkomensgroepen (zie grafiek). Ook de recente studie van prof. André Decoster toonde dit aan: onder regering Michel I gingen de hoogste inkomens er met 165 euro op voorruit, terwijl laagste inkomensgroepen een peulenschil kregen. M.a.w. inzetten op werk is niet voldoende, werk moet ook voldoende lonen. De minimumlonen moeten dringend omhoog (vandaar onze ABVV-campagne ‘fight for fourtheen’ waarbij we een minimumloon van 14 euro per uur vragen.

Bron: Somers, M. (2018). Een nieuwe kwetsbaarheid. De lagere inkomensklassen in België (1985-2016). Een analyse op basis van het CeSO-rapport ‘De lage middenklasse in België’ (p. 11)

“De ongelijkheid tussen gezinnen voor herverdeling is de afgelopen dertig jaar sterk toegenomen; enerzijds door de omwenteling van een kostwinnersmodel naar een tweeverdienersmodel, wat een erg grote impact heeft op de relatieve levensstandaard van wie niet kan rekenen op twee inkomens uit arbeid, en anderzijds door de groeiende loondivergentie tussen lagere en hogere inkomens” (Somers, 2018, p. 14)

Move on up: 65-plussers

De evolutie van kostwinners naar tweeverdienersmodel heeft ook een positieve kant, namelijk dat het armoederisico bij ouderen fel gedaald is sinds 1985 (naast o.a. ook de emancipatie van de vrouw natuurlijk). Zo leefde toen meer dan 1 op 5 van de 65-plussers in armoede. Nu is dat aandeel veel minder groot en zien we een verhaal van opwaartse mobiliteit, namelijk dat veel ouderen zijn opgeschoven naar de lage middenklasse. Dat komt 1) door het feit dat heel wat meer vrouwen (65+) zelf gewerkt hebben en zo pensioenrechten hebben opgebouwd, en 2) door het verhogen van de pensioenminima.

Onze regering heeft weinig oog voor de ‘nieuwe precariteit’, meer zelfs, bepaalde beleidskeuzes maken de kwetsbaarheid van de lagere inkomensklassen net groter.

En nu?

Kortom, de studie wijst erop dat de samenleving de vruchten plukt van de omslag van kostwinnersmodel naar tweeverdienersmodel, maar ook dat steeds meer mensen –zoals eenoudergezinnen, of mensen die geen werk vinden— door die onwrikbare focus op betaald werk, uit de boot dreigen te vallen (p. 7-8). Onze regering heeft weinig oog voor de ‘nieuwe precariteit’, meer zelfs, bepaalde beleidskeuzes maken de kwetsbaarheid van de lagere inkomensklassen net groter.

Daarom moeten we:

  • investeren in sociale bescherming (terugbetaling bij de dokter, uitkeringen en vervangingsinkomens boven de armoedegrens tillen …)
  • de armoedeval wegwerken voor alleenstaanden, alleenstaande ouders met kinderen, gezinnen waar er enkel precaire arbeid is, …
  • het minimumloon optrekken naar 14 euro per uur.
  • een eenoudertoets invoeren

De overheid maakt het eenoudergezinnen nu moeilijker dan ze het al hebben. Of ze nu een huis willen kopen, een job zoeken, hun ziek kind opvangen of belastingen betalen: eenoudergezinnen worden keer op keer benadeeld. Zo is kinderlast vandaag geen gegronde reden om niet te gaan solliciteren terwijl dat voor alleenstaande ouders een grote hinderpaal is. En werkzoekenden zijn verplicht een job te aanvaarden binnen een straal van 60 km van hun woonplaats, terwijl dit onhaalbaar is voor alleenstaande ouders.

Daarom willen wij (en ja, daar zijn we weer) dat nieuwe wetten en regels aan een eenoudertoets worden onderworpen zodat de impact op eenoudergezinnen op voorhand gemeten wordt.

Bronnen:

Robben, L, Van den Heede, A & Van Lancker, W. (2018). De lage middenklasse in België. Studie op vraag van denktank Minerva en Decenniumdoelen. December 2018. KULeuven.

Somers, M. (2018). Een nieuwe kwetsbaarheid. De lagere inkomensklassen in België (1985-2016). Een analyse op basis van het CeSO-rapport ‘De lage middenklasse in België’.

Decoster, A. e.a. (2017). Leuvense economische standpunten 2017/164. De Standaard, 15 december 2017.

 

[1] In deze benadering wordt geen rekening gehouden met vermogensbezit, dat veel sterker gepolariseerd is dan het netto belastbaar inkomen.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPrint this pageEmail this to someone