“Goedemorgen, het is vandaag 30 oktober en het is over heel de wereld bekeken gemiddeld 20 graden. Doe dus gerust een t-shirt aan wanneer u naar het werk vertrekt.”

De conclusie lijkt dan al snel: we hebben het veel te goed en kunnen gerust wat harder werken.

Menigeen zou de wenkbrauwen fronsen wanneer Frank Deboosere u ’s ochtends deze goede raad geeft op het radiojournaal. Dat gaat zo met gemiddelden: meestal zeggen ze weinig, een algemene indruk vooral. Het is dus van belang om op een wetenschappelijk verantwoorde en objectieve manier om te gaan met gemiddelden. Met de juiste duiding.

Eenzelfde fronsgevoel kreeg ik bij het Acerta onderzoek dat gisteren in de krant stond onder de titel “Werkweek stopt na 24 uur”. Je kan je een aantal vragen stellen bij de aanpak om tot dat resultaat te komen (met een andere methodologie komt de Oeso op 29,7 uur en de VUB op 35 uur) maar dat is eigenlijk niet de essentie. Waar het wel om draait is de duiding die je her en der bij die titel, en dus bij dat gemiddelde, ziet opduiken. Menig zelfverklaarde arbeidsmarktexpert twitterde al van “zie je wel dat we te weinig werken” of een of andere meer cynische variant daarop. De conclusie lijkt dan al snel: we hebben het veel te goed en kunnen gerust wat harder werken.

Is er effectief ‘een onbenut arbeidspotentieel’? Laten we daarvoor even kijken naar de werkuren die Acerta in rekening brengt.

Suggestief

Acerta legt de link met de krapte op arbeidsmarkt en benoemt de niet gewerkte uren als “onbenut arbeidspotentieel”. Ook dat is suggestief, zeker in het gepolariseerde debat dat vandaag gevoerd wordt over zij die willen werken en zij die dat zogenaamd niet willen. Los van de suggestie, is er effectief ‘een onbenut arbeidspotentieel’? Laten we daarvoor even kijken naar de werkuren die Acerta in rekening brengt:

  1. Feestdagen en vakantiedagen: Het is waar, op feestdagen en vakantiedagen wordt er niet gewerkt. Dat is dan ook de essentie van vakantie. Als we dit potentieel willen benutten, dan moeten we ofwel het aantal feestdagen terugdringen, ofwel de wettelijke vakantiedagen verminderen. Zo houden we niet alleen minder vrije tijd over, maar ook nog eens minder loon per gewerkt uur. Niet alleen zal dit voorstel niet erg populair zijn, het negeert ook alle noodsignalen die we zien terugkomen in zowat alle bevragingen van werknemers over de combinatie werk en privé.
  2. Deeltijds werken en tijdskrediet: Om dit potentieel te benutten moeten we alleen maar iedereen voltijds aan de slag krijgen. Dat is een goed idee waar het gaat om mensen die onvrijwillig deeltijds werken. Maar als het ons menens is met deze doelstelling, dan moeten we bijvoorbeeld bij de VDAB gaan zeggen dat we geen deeltijdse vacatures van bedrijven meer aanbieden wegens niet strokend met de noden van de arbeidsmarkt. Ik zie het nog niet meteen gebeuren.
    Langs de andere kant zijn er heel wat goede redenen waarom mensen deeltijds werken of formules van tijdskrediet opnemen. Zo zijn er (volgens de studiedienst van de Vlaamse Regering) al bijna een miljoen Vlamingen die mantelzorg opnemen voor een naaste. En onder andere minister Vandeurzen wil met zijn vermaatschappelijking van de zorg dat we dat nog meer gaan doen. Als we dat doen, dan gaat dat ten koste van onze werktijd. Het alternatief, voor wie dit potentieel wil benutten, is dus zwaar investeren in het zorgaanbod zodat zorgbehoevenden niet meer op familie moeten rekenen. Ook dat zie ik deze regering niet meteen doen.
  3. Economische werkloosheid: Ook dit wordt meegeteld. Natuurlijk zou het een goede zaak zijn als er minder economische werkloosheid was. De oplossing hiervoor lijkt me echter niet zo evident, gezien de verbondenheid met conjunctuur- en seizoenschommelingen. In ieder geval zal ook hier de oplossing niet van de werknemer kunnen komen.
  4. Ziekte: Als het voorgaande allemaal moeilijk is, dan rest er ons nog het terugdringen van de ziektedagen. Daar is veel rond te doen. Kijk maar naar het recente voorstel van minister De Block om richtlijnen mee te geven aan artsen, om te bepalen hoe lang iemand met bijvoorbeeld borstkanker eigenlijk best ziekteverlof voorgeschreven krijgt. Dat soort voorstellen gaan uit van een diep wantrouwen tegenover wie ziek is en negeren de verantwoordelijkheid om te zorgen voor jobs waar je niet ziek van wordt. De dalende cijfers van de werkbaarheidsmonitor (o.a. door groeiende werkstress en emotionele belasting) zijn in die zin een belangrijk signaal.

Is er dus sprake van onbenut arbeidspotentieel? Zeker weten. Er zijn nog 200.000 werklozen, waarvan meer dan 30.000 met een handicap, meer dan 40.000 werkloze 55plussers, 60.000 werklozen met een migratieachtergrond en meer dan 60.000 langdurig werklozen. Onbenut inderdaad.

Is er sprake van onbenut arbeidspotentieel? Zeker weten. Er zijn nog 200.000 werklozen.

Het gemiddeld aantal uren dat we werken zegt daarover helemaal niets, en erger: het suggereert dat de krapte op de arbeidsmarkt de schuld is van werknemers. Misschien moeten we opnieuw het OESO-cijfer erbij nemen dat een internationale vergelijking toelaat: met 29,7 uur werken we gewoon meer dan in onze buurlanden. Het wordt dus tijd om de verantwoordelijkheid voor de arbeidsmarktproblemen elders te gaan zoeken.

Deze blog verscheen eerder in De Standaard van 2 november 2018.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPrint this pageEmail this to someone