Zo’n 1 miljoen Vlamingen nemen zorgtaken op voor iemand die ziek is. ‘Mantelzorg’ noemt men dat. De Vlaamse regering verwacht dat we dat soort taken in de toekomst nog meer gaan opnemen. Maar is dat wel realistisch?

Wie zorgt voor wie?

Er zijn de afgelopen jaren al heel wat onderzoeken gedaan naar mantelzorg in Vlaanderen. De vraag is dan: wie zorgt voor wie en in welke omstandigheden?

Het is niet altijd eenvoudig om een antwoord te vinden op die vraag, omdat het niet altijd geregistreerd is wie zorgtaken opneemt voor iemand die ziek is. In het kader van de Vlaamse zorgverzekering bijvoorbeeld zijn er zo’n 143.000 mantelzorgers geregistreerd. Maar bredere bevragingen wijzen erop dat dit slechts een fractie is van de realiteit. De Vlaamse overheid zelf schat het aantal mensen dat zorg opneemt voor een naaste eerder in de buurt van de 1 miljoen Vlamingen.

Meestal (in 84% van de gevallen) gaat het over de zorg voor een familielid. In ongeveer de helft van de gevallen gaat het over zorg die voortvloeit uit ouderdomsverschijnselen. Meestal is dat dan zorg voor de ouders of schoonouders. Bij zo’n 40% van de gevallen gaat het dan weer over de zorg voor iemand met een handicap.

Vrouwen nemen vaker (65%) zorgtaken op dan mannen (35%). Mannen zorgen voornamelijk voor hun zieke partner. Zorg voor iemand anders dan de partner komt vaker bij vrouwen terecht. Relatief gezien vallen vrouwen ook vaker in als er meer intensieve zorg nodig is.

Meer dan de helft van alle mantelzorgers is tussen de 45 en 64 jaar oud. Zij worden wel eens de “sandwichgeneratie” genoemd, omdat zij vaak zowel voor de (klein)kinderen als voor de ouders moeten zorgen en dus op beide fronten moeten inspringen.

Werk en zorg combineren?

Mantelzorger zijn neemt soms veel tijd in beslag, zeker naarmate het gaat om zwaardere zorgbehoeften. Sommige mantelzorgers kiezen er dan ook voor hun werk tijdelijk of volledig op te geven om voor een naaste te kunnen zorgen.

Onderzoek wijst erop dat ongeveer de helft van de mantelzorgers betaald werk heeft. Zij combineren dus zorgtaken met een job. Als we alleen naar de groep op actieve leeftijd kijken (25-64 jaar) dan heeft tussen de 60 en 70% een job.

Van de groep die geen betaald werk heeft, is meer dan helft gepensioneerd. Nog eens 8% is met vervroegd pensioen of brugpensioen.

Bij de groep die wel werk heeft, gaat het in 42% van de gevallen om voltijds werk. Zo’n 34% werkt meer dan halftijds maar minder dan voltijds (21 tot 37 uren per week) en 24% werkt halftijds of minder (20 uur of minder per week). Bijna de helft van de mantelzorgers die betaald werk hebben, zet verder ook gericht vakantiedagen in om tijd te maken voor zorgtaken.

Langer en meer werken én meer zorgen?

“We leven langer, dus moeten we langer werken…” De laatste jaren is er vanuit de politiek tot in den treure toe gehamerd op dit dogma. Maatregel na maatregel wordt er in dat verband getroffen: van het optrekken van de pensioenleeftijd, over het inperken van het brugpensioen tot de aanpassingen in de verplichte beschikbaarheid van ouderen op de arbeidsmarkt.

Bij de vraag welke impact dit heeft op de zorgtaken die mensen opnemen wordt er meestal niet stilgestaan. Nochtans zien we dat deze naar het einde van de loopbaan toe sterk toenemen.

Tegelijk is de tweede boodschap die gegeven wordt dat er ook méér gewerkt moet worden. Deeltijds werken wordt ontmoedigd, bijvoorbeeld door het hervormen van de minimumpensioenen en door het opvoeren van het controleren en activeren van deeltijds werkenden naar een voltijdse baan.

“De vraag naar zorg zal in de komende decennia spectaculair toenemen.”

De mogelijkheden om de loopbaan te onderbreken worden op alle beleidsniveaus bovendien ingeperkt. Ook daar kan je de vraag stellen welke impact dit gaat hebben op wie minder wil gaan werken omwille van de zorg voor famillieleden.

We leven inderdaad langer. In 2020 zal één Vlaming op vijf 65 jaar en ouder zijn. In 2030 zal dit 1 op 4 zijn. In 2010 bedroeg het aantal 80-plussers 5% van de totale Vlaamse bevolking, in 2030 zal dit 7% zijn en in 2040 9%. De demografische evolutie zet op die manier een enorme druk op ons zorgsysteem. De vraag naar zorg zal in de komende decennia spectaculair toenemen. We leven langer, en dus zijn we daardoor ook vaker chronisch ziek.

Zorgvraag

Vanuit die analyse vertrekt Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) trouwens ook wanneer hij de kaart trekt van de “vermaatschappelijking van de zorg”. De Vlaamse regering wil in de toekomst namelijk naar een getrapt systeem waarbij de nadruk ligt op: “eerst zelfzorg, dan mantelzorg en pas in derde instantie formele, professionele zorg”. De redenering is dus dat men eerst op zichzelf is aangewezen, daarna op een breed sociaal netwerk en pas in laatste instantie, bij de grootste behoeften een beroep doet op de overheid.

Met andere woorden: men verwacht niet alleen dat we langer werken en meer werken, maar ook nog eens dat we meer voor zieke familieleden gaan zorgen. Dat dit allemaal weinig realistisch is, zal voor iedereen met een beetje gezond verstand duidelijk zijn.

“Werk en zorg combineren wordt steeds moeilijker.”

Ook de cijfers bevestigen dit. Het percentage Vlamingen dat mantelzorg opneemt, daalde tussen 2011 en 2014 van 38% naar 26%. Aan minder zorgbehoeften ligt dat alleszins niet, zoals de demografische evolutie al duidelijk maakte. Bovendien steeg in die periode het aandeel mensen dat zich erg belast voelt door zorgtaken van 18% naar 23%. Werk en zorg combineren wordt steeds moeilijker.

Terzijde nog: een interessante manier om de vraag om langer te werken te bekijken, is om in te zoomen op de gezonde levensverwachting. Oftewel: hoe oud word je vooraleer je zelf gezondheidsproblemen begint te krijgen? Een onderzoek uit 2011 spreekt boekdelen:

Levensverwachting

Bron: H. Van Oyen, P. Deboosere, V. Lorant en R. Charafeddine (eds.) (2011), Sociale ongelijkheden in gezondheid in België, Gent, Academia Press

De gezonde levensverwachting van een laaggeschoolde man van 25 jaar bedraagt gemiddeld nog eens 25 jaar, dus tot zijn 50ste levensjaar. Bij een hoogopgeleide man bedraagt dit 46 jaar of tot zijn 71ste levensjaar. De rode lijn in de grafiek ligt op 67 jaar, de nieuwe pensioenleeftijd dankzij de regering-Michel. Enkel voor de hoogst opgeleiden ligt de gezonde levensverwachting hier (net) boven. Conclusie: men vraagt ons dus eigenlijk om te werken tot we zelf ziek zijn.

Wat te doen?

In de eerste plaats moeten we voluit gaan voor een zorgende overheid. Het afwentelen van zorgtaken op vrienden en familieleden kan niet de basis zijn voor een goed beleid. Het negeert trouwens ook het feit dat er vandaag al heel erg veel zorg opgenomen wordt.

Het is een illusie te denken dat we zonder een goed uitgebouwd en betaalbaar zorgaanbod vanuit de overheid de toekomstige uitdagingen gaan aankunnen. Al was het maar alleen al omdat niet iedereen kan rekenen op een even groot sociaal netwerk.

Maar ook: Als men vanuit het beleid verwacht dat we in de toekomst nog meer zorg gaan dragen voor onze zieke familieleden, dan zal dit een grondig debat vergen over de combinatie van werk en zorgtaken en hoe we die noodzakelijke tijd voor zorg dan kunnen vrijmaken. Alleen maar volhouden dat er geen alternatief is voor langer en meer werken is niet realistisch.

De federale regering voorziet sinds kort in een verhoging van het aantal maanden tijdskrediet met zorgmotief dat je kan opnemen. Dit is echter een doekje voor het bloeden wanneer je de omvang van de uitdaging bekijkt. Zorgverlof kan immers enkel in bepaalde omstandigheden en is niet voor iedereen toegankelijk.

Zorg dementie

Ook de bestaande ondersteuning van mantelzorgers kan veel beter.

Bovendien voert men op heel wat andere vlakken een beleid dat net het tegenovergestelde effect heeft: meer flexibilisering ten voordele van de werkgever, het ontmoedigen van deeltijds werk, het inperken van de andere vormen van tijdskrediet, het inperken van de aanmoedigingspremies om dat tijdskrediet op te nemen, het duurder maken van kinderopvang, de stijgende rusthuisfacturen en ga zo maar door.

Ook de bestaande ondersteuning van mantelzorgers kan veel beter. Het gaat dan over voldoende plaatsen in dagverblijven en kortverblijf, over professionele ondersteuning en – niet onbelangrijk – over het compenseren van inkomensverlies voor wie minder gaat werken om zorgtaken op te nemen. Dit laatste ook buiten de systemen van tijdskrediet, die niet voor iedereen toegankelijk zijn en die slechts één manier is waarop mensen tijd proberen vrij te maken voor zorg.

De beste manier om te maken dat mensen voldoende tijd hebben om te investeren in zorgtaken en daarin ook zelf keuzes kunnen maken, is te verzekeren dat zij een werkbare job hebben die de combinatie met die zorgtaken ook toelaat. Een breed en structureel beleid rond werkbaar werk dus dat veel verder gaat dan het bekijken van uitzonderingsgevallen en criteria van tijdskrediet. Niet alleen meer tijd voor zorg, maar meer tijd in het algemeen.