Brandende auto’s, spoorblokkades en vakbondsmilitanten aan de pils. Het zijn beelden die blijven hangen en die gretig gebruikt worden door rechts in Vlaanderen. Het overheersende idee dat wordt opgehangen is dat vakbonden de hardwerkende Belg blokkeren. Ze kosten ons, de burgers, geld. Ze berokkenen schade en beperken economische groei.

Ernst & Young stelt zelfs uitdrukkelijk dat de vakorganisaties één van de belangrijkste handicaps van België zijn voor de economie. De N-VA gaat zelfs zo ver om de fiscale aftrekbaarheid van vakbondslidmaatschap in vraag te stellen.

Maar wat zegt het wetenschappelijk onderzoek? Zijn er voorbeelden uit het buitenland die ons iets kunnen leren over de economische meerwaarde van vakbonden? De verantwoording van iedere fiscale aftrekpost (zoals restaurantbezoek, recepties, relatiegeschenken…) moet immers liggen in haar potentiële effect op de economische groei. Ze moet een meerwaarde betekenen.

Vooraf: hoe meet je de impact van vakbonden?

De impact van vakbonden hangt af van de onderhandelingskracht die ze hebben, en die kan afgelezen worden aan de hand van twee parameters: de syndicalisatiegraad en de dekkingsgraad door cao’s.

België is een land met sterke vakbondstraditie. De syndicalisatiegraad – het percentage werknemers dat lid is van een vakbond – ligt hoog, rond 50%. In vergelijking met bijvoorbeeld Scandinavië is dit niet uitzonderlijk. In Finland, Denemarken of Zweden is ongeveer zeven op de tien werknemers lid van een vakbond. In IJsland negen op tien.

In België is meer dan de helft van de werknemers lid van een vakbond.

De syndicalisatiegraad zegt niet alles over de impact van een vakbond. Ze geeft vooral een indicatie van de mate aan druk die een vakbond tijdens een onderhandeling kan zetten. Om de effectiviteit van een vakbond te meten is de ‘dekkingsgraad’ van de collectieve onderhandelingen een betere graadmeter. Die gaat na in welke mate werknemers gedekt zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst, oftewel een cao. Met andere woorden: hebben collectieve onderhandelingen een impact gehad op het inkomen en het welzijn van de werknemer in kwestie?

België scoort hoog op dit vlak. Bij 96% van de Belgische werknemers zijn het loon en andere arbeidsvoorwaarden het resultaat van constructief sociaal overleg. In de rest van de EU is dit ‘slechts’ 63%. Dit percentage ligt hier hoog omdat hier het ‘erga omnes’-principe geldt. Dit betekent dat de afspraken die door vakbondsleden worden gemaakt ook gelden voor hen die geen vakbondslid zijn.

Wat gebeurt er wanneer de impact van vakbonden afneemt?

In het naoorlogse Europa maakten vakbonden en werkgevers de afspraak om de winsten van de toekomstige economische vooruitgang onderling gelijk te verdelen. Het deel dat werknemers ontvangen, wordt in de economische wetenschap het ‘loonaandeel’ genoemd. Datgene wat naar de eigenaars van het productieapparaat gaat, het ‘kapitaalaandeel’. Beide worden uitgedrukt als percentage van het nationaal inkomen.

Het beleid dat de afgelopen dertig jaar in tal van Europese landen werd gevoerd, heeft geleid tot een dramatische verschuiving in de verhouding tussen het loon- en kapitaalaandeel. In het Verenigd Koninkrijk daalde het loonaandeel van 76% van het nationaal inkomen in 1975 tot 67% in 2014. In Duitsland viel over dezelfde periode het loonaandeel terug van 72 naar 62%.

De vruchten van economische ontwikkeling worden met andere woorden steeds ongelijker verdeeld tussen arbeid en kapitaal. De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) merkt op dat de daling van het loonaandeel in de ganse wereld is vast te stellen, maar dat de trend in de geavanceerde West-Europese economieën het meest uitgesproken is. In België ging het loonaandeel er ongeveer met 5% op achteruit tussen het midden van de jaren 1980 en nu.

Volgens de Universiteit van Greenwich is één van de voornaamste oorzaken van de abrupte daling van het loonaandeel de veranderde relatie tussen de sociale partners. Dit is een academisch eufemisme voor: een beperking van de onderhandelingskracht van vakbonden.

“De vruchten van economische ontwikkeling worden met andere woorden steeds ongelijker verdeeld tussen arbeid en kapitaal.”

De syndicalisatiegraad, het percentage van de werknemers dat lid is van een vakbond, halveerde in het Verenigd Koninkrijk van 50% in 1981 tot 25,4% in 2013. Het aantal werknemers dat gedekt werd door een collectieve arbeidsovereenkomst daalde over diezelfde periode eveneens met de helft. In 1980 werd acht op de tien Britten gedekt door een cao, dertig jaar later nog amper drie op tien. Maar het Verenigd Koninkrijk staat hierin niet alleen.

In Oostenrijk en Portugal ging het lidmaatschap met 40% achteruit. Nederland zag het lidmaatschap terugvallen met 24%, Duitsland met 18% en Frankrijk met 14%. België hield stand met slechts een daling van iets meer dan 1%.

Hoe werd de macht van vakbonden gebroken in Europa?

Hoe hebben Margaret Thatcher en co de macht van de vakbonden in een pak EU-landen precies gebroken? Het arsenaal aan middelen blijkt even divers als uitgebreid te zijn, maar er zijn rode lijnen te trekken.

Door wijzigingen in de wetgeving werd de bescherming van vakbondsafgevaardigden afgebouwd of werd het recht op collectieve actie, zoals stakingen, bemoeilijkt.

Daarnaast werd de arbeidsmarkt geflexibiliseerd: het aantal slecht beschermde tijdelijke of parttime contracten explodeerde. Het is voor vakbonden een pak moeilijker om werknemers met dit type contracten te organiseren.

De anti-vakbondspolitiek van Margaret Thatcher geldt vandaag als voorbeeld voor de N-VA.

De overheid trok zich terug uit het sociaal overleg. Daar waar de overheid vroeger werkgevers aan tafel bracht en het overleg faciliteerde, liet ze werknemers aan hun lot over. De overheid prefereerde een gedecentraliseerd overleg op niveau van ondernemingen. Een klassieke verdeel-en-heersstrategie.

Daarnaast werd er gesnoeid in alternatieve inkomens – ziekte, werkloosheid, pensioenen – waardoor werknemers minder terugvalmogelijkheden kregen, wat een neerwaartse druk zette op de lonen.

Tot slot werd de financiële sector – de mensen achter het kapitaalaandeel dus – vanaf de jaren 1980 vrij spel gegeven. Hoge winsten en shareholder value stonden vanaf dan voorop. Kapitaal kreeg meer uitwijkmogelijkheden, wat de onderhandelingspositie van werknemers danig verzwakte.

Klinkt dat allemaal een beetje bekend in de oren?

Maar wat betekent dat nu voor de economische groei?

Allemaal goed en wel, maar is een daling van de slagkracht van de vakbonden slecht nieuws voor de economische groei? Uit vijf empirische studies blijkt dat er een duidelijk causaal verband bestaat tussen een dalende syndicalisatiegraad en een daling van het loonaandeel. In de EU-kernlanden heeft een daling in de syndicalisatiegraad van 15% geleid tot een daling van het loonaandeel met bijna 6%. De vraag is dan: is een dalend loonaandeel automatisch slecht voor een economie?

Lonen spelen een dubbele rol in de economie. In een neoklassieke visie worden ze vooral als een kostenpost gezien. Lonen moeten in deze benadering zo laag mogelijk worden gehouden om bedrijven concurrentieel te houden. Lage lonen leiden tot hoge winsten, meer investeringen en dus meer groei. Deze benadering negeert grotendeels het ‘vraageffect’ van lonen.

In een meer Keynesiaanse benadering zijn de lonen datgene wat de binnenlandse consumptie voedt en dus datgene wat de motor achter economische groei aandrijft. Hogere lonen kunnen op die manier tegelijkertijd winsten voor ondernemingen verminderen en een boost aan diezelfde winsten geven.

Uit IAO-onderzoek blijkt dat het merendeel van de Europese landen – en de Eurozone in haar geheel – op dit ogenblik ‘loongeleid’ zijn. Dit betekent dat het positieve vraageffect van stijgende lonen groter is dan het negatieve effect van lagere winsten. Hogere lonen en een groter loonaandeel zouden de economische groei stimuleren.

De afgelopen dertig jaar daalde het loonaandeel in de Europese economieën. Zoals gezegd, was het dalend ledenaantal bij de vakbonden hiervan één van de belangrijkste oorzaken. Toch was er economische groei.

De Universiteit van Greenwich bekeek echter welke potentiële groei de Europese landen hebben misgelopen ten gevolge van dit dalend ledenaantal. De resultaten zijn opmerkelijk. Door een daling van de syndicalisatiegraad in de EU van 15% ligt de totale economische activiteit nu 1,8% lager dan potentieel mogelijk was.

Voor het Verenigd Koninkrijk werd een berekening in detail gemaakt. De Britten lopen 1,6% procent aan economische activiteit mis. Hierdoor wordt er vandaag voor 27 miljard pond (38 miljard euro) minder aan welvaart geproduceerd. En dit allemaal ten gevolge van de steile afname van de syndicalisatiegraad in de afgelopen dertig jaar.

Lessen voor vandaag

De comateuze Europese economieën van vandaag smeken om een groeispurt. Blijkbaar heeft de stiefmoederlijke behandeling (en dat is braaf verwoord) van het sociaal overleg, en de vakbonden in het bijzonder, een rem gezet op de eigen welvaart.

“Hogere lonen zijn beter voor onze economie dan hogere winsten. En om hogere lonen te bekomen, zijn vakbonden nodig.”

De onderzoekers keken niet enkel naar het verleden. Ze maakten een model op waarin de effecten van een stijging van 1% van het winstaandeel werd gesimuleerd. De resultaten liggen in lijn met de vaststellingen rond de syndicalisatiegraad. Wanneer ten gevolge van een daling van de onderhandelingsmacht van vakbonden in de EU het winstaandeel in de economie stijgt met 1% en het loonaandeel in dezelfde mate daalt, dan daalt de economische activiteit met 0,3%. Hogere lonen zijn beter voor onze economie dan hogere winsten. En om hogere lonen te bekomen, zijn vakbonden nodig.

“Beperk de onderhandelingskracht van de vakbonden en je geeft de economie de wind in zeilen”, zo luidt de redenering, maar de ervaringen in de rest van de EU in de afgelopen dertig jaar bewijzen het tegendeel. Wie de collectieve kracht van een vakbond breekt, bereikt het omgekeerde resultaat: lagere groei en een kleiner deel van de koek dat naar de laagste inkomenscategorieën gaat.

Nog als uitsmijter: dat we zoveel wetenschappelijk onderzoek bestaat om het effect van vakbonden op onze economie te berekenen, komt net omdat er vanuit rechtse politici zoveel geroepen wordt over de schade die vakbonden zogezegd toebrengen aan de economie. Over het effect van lidmaatschap van werkgeverskoepels op de economie is er totnogtoe weinig informatie te vinden. Misschien ook een onderwerp dat het onderzoeken waard is?