De derde industriële revolutie vormt al meer dan 60 jaar de harde kern van ons industrieel weefsel. Naast een aantal klassieke remedies van de oorlogseconomie (verhoogde directe uitbuiting, bewapening) werd de uitweg uit de economische wereldcrisis van de jaren 1930 gezocht in (1) de uitbouw van hoogtechnologische productie om de grondstoffenprijzen te doen dalen; (2) een vermindering van het aandeel van de lonen in de productiekosten, wat gepaard gaat met pogingen tot gedeeltelijke en volledige automatisatie; (3) een versnelling van de technologische vernieuwing.

De aanpak wierp zijn vruchten af, maar laat na al die jaren ook almaar duidelijker zijn stekels zien. Niet in de laatste plaats op vlak van milieu. Uit onderzoek in de geïndustrialiseerde wereld blijkt dat de milieuvervuiling in de tweede helft van de 20ste eeuw veel sterker toenam dan de productie, en ook geheel nieuwe vormen aannam (bijvoorbeeld de snel toenemende kwikverontreiniging als bijverschijnsel van de expansie van de kunststoffenindustrie). De milieucrisis is grotendeels het gevolg van de nieuwe en veranderde technische ontwikkelingen in landbouw en industrie sinds het einde van de tweede wereldoorlog, die het milieu veel meer belastten dan de technologieën die ze vervingen. De enorme investeringen die hiervoor nodig waren zetten wel een rem op de winstcijfers, die alleen kon worden tegengewerkt door een grote stijging van de arbeidsproductiviteit. De stijgende arbeidsproductiviteit leidt dan weer tot uitstoot van arbeid en werkloosheid, die alleen kan tegengegaan worden door meer groei. Deze vicieuze cirkel mondt uit in een onhoudbare roofbouw op onze twee enige bronnen van rijkdom: arbeid en natuur.

Samengevat: Als we naar de bron van het milieuvraagstuk gaan kijken, komen we niet in de eerste plaats uit bij de vraag naar de ‘grenzen aan de economische groei’, bij ‘overconsumptie’ of ‘overbevolking’, maar wel bij een weeffout in de industriële technologie. De reden voor de milieucrisis is dat men uit economisch belang technologieën heeft ontwikkeld die contra-ecologisch zijn. En het is precies omdat de productiemethoden energie en natuurlijke hulpbronnen op grote schaal verkwisten, dat de voortdurende afname van het loonkostenaandeel om economische redenen een dwingende noodzaak is.

Het is dezelfde technologie die de natuur uitput en de werknemer uitperst.

Maar als de fout ligt bij verkeerde technologische beslissingen, kunnen we er ook aan werken. Er is op dit moment een race op planetaire schaal aan de gang tussen de uitputting van de natuur en technologische innovatie in functie van maatschappelijke en ecologische noden. Het is deze wedstrijd die we moeten spelen en winnen.

Een ‘vierde industriële revolutie’

De effecten van de derde industriële revolutie verzwakken in de productiviteitscijfers. Westerse economieën zijn vandaag op een punt gekomen waar de productiviteitswinsten volledig dreigen weg te vallen. De crisis na 2008 heeft dat fenomeen weliswaar versneld maar de trendmatige daling tekent zich reeds veel langer af. Het digitale tijdperk is met andere woorden overal zichtbaar, behalve in de statistieken over de productiviteit. Zo is het klassieke Belgische groeimodel gebaseerd op hoge automatiseringsinvesteringen, waardoor onze productiviteit tot de wereldtop behoort. Maar dat model zit aan zijn limiet. Bijkomende investeringen kunnen de productiviteitsvoorsprong niet langer in stand houden. De niet aflatende stroom aan studies over een ‘vierde industriële revolutie’ moeten dan ook gezien worden in het perspectief van de koortsachtige zoektocht naar een nieuw productiviteitsoffensief om de economie een nieuwe boost te geven.

Vandaag staan we aan het begin van deze vierde industriële revolutie. Men spreekt ook over het tweede machinetijdperk, of het tijdperk van de denkende machine. Dit tijdperk kenmerkt zich door de rationalisering en automatisering van fysieke arbeid én denkkracht, zowel binnen de maakindustrie als de dienstensector. En via het Internet der Dingen kunnen niet alleen mensen met mensen, maar ook mensen met machines en machines onderling communiceren. De inrichting van de dienstverlening rondom slimme producten wordt daarmee steeds belangrijker.

De economie aan de grens van de draagkracht van de planeet

Het productiemodel dat al deze beloftevolle technologische ontwikkelingen mogelijk heeft gemaakt, botst tegelijkertijd op planetaire grenzen. Een neem-maak-dump levensstijl is onhoudbaar voor de naar verwachting drie miljard nieuwe leden van de mondiale middenklasse in de komende decennia. Volgens het Wereld Economisch Forum zullen goud, zilver, indium, iridium, wolfraam …binnen vijf tot vijftig jaar opgebruikt zijn als we niet op een andere manier gaan nadenken over materiaalgebruik. De grondstoffenprijzen zijn tussen 2002 en 2010 met 150% gestegen en vlakten zo de prijsdalingen van de laatste honderd jaar weg.

Het is dus hoog tijd om dat economisch model te herzien en de weeffout weg te werken.

Hierbij kunnen de nieuwe technologieën een uiterst belangrijke rol spelen. De mogelijkheden zijn er: slimme energienetwerken, smart mobility (o.a. zelfsturende auto), smart homes, ‘smart farming’, slimme steden,…evenzoveel troeven om de maatschappelijke uitdagingen van de 21ste eeuw aan te gaan. Parallel met de groeiende grondstoffenschaarste zijn gezondheid, mobiliteit, betere huisvesting, betere voeding, zorg voor ouderen, werkgelegenheid, meer sociale bescherming en minder milieuschade, wellicht de grootste onbevredigde behoeften.

Maar hoe doen we dat in de praktijk?

Industrie 4.0 gaat circulair

Vanuit het perspectief van ondernemingen zijn er 4 drijvende krachten of krachtige motieven die aanzetten tot een efficiëntere inzet van grondstoffen en producten gedurende hun levenscyclus, omdat ze extra toegevoegde waarde opleveren:

  1. Het verlengen van de levenscyclus van producten
  2. De gebruiksintensiteit van producten verhogen
  3. Het sluiten van de kringlopen van materialen en producten[1]
  4. Het behoud en de hernieuwing van natuurlijk kapitaal

[1] op 9 niveaus: Refuse, Rethink, Reduce, Re-use, Repair, Refurbish, Remanufacture, Repurpose, Recycle

Het Internet der Dingen streeft er naar om de fysieke wereld ‘intelligent’ te maken en kan in 10 omgevingen worden toegepast: mens, woning, handel, kantoor, fabriek, mobiele werkplaatsen, voertuigen, steden , ecosystemen+landbouw en andere (bijvoorbeeld lucht- en scheepvaart). De digitale toepassingen berusten op 3 types van kennis:

  1. Kennis over de locatie van producten en materialen
  2. Kennis over de toestand van producten en materialen
  3. Kennis over de beschikbaarheid van producten en materialen

Kunnen we de digitalisering aanwenden om circulaire strategieën uit te bouwen? De oefening is eenvoudiger dan u denkt: een simpele matrix die 3 van de 4 circulaire strategieën en de 3 ‘digitale kennistypes’ combineert levert al snel tal van mogelijke antwoorden op.

tabel1

Natuurlijk, het gaat hier vaak over ‘disruptieve innovaties’. Dat zijn doorbraken die een consument of markt op een nieuwe manier bedienen. Ze leveren soms wel jobs op (welke ?), maar bedreigen ook bestaande jobs; ze herverkavelen industrieën en bedreigen sectoren. Digitalisering + circulaire economie is dus niet noodzakelijk gelijk aan sociale rechtvaardigheid. Daar moeten we voor oppassen.

Democratie vs markt

Want uiteraard is dit ook een verhaal vol tegenstrijdigheden. Het ‘mainstream’ denken over de circulaire economie spiegelt ons een wereld voor waarin slimme ondernemers de kansen op overvloedige winsten maar voor het rapen hebben als ze met de nieuwe technologie inspelen op maatschappelijke noden: People + Planet + Profit! Wanneer we echter de optimistisch gestemde publicaties dichtslaan doemt een wat minder fraai beeld op: dat van een wereldwijde economische oorlog met als inzet niets minder dan de toe-eigening van de natuur voor de winst. Hoe schaarser de grondstoffen, hoe meer deze oorlog zich toespitst. De prijs van metalen verdrievoudigde tussen 1999 en 2006 (periode voor de financieel-economische crisis van 2008). Na de dip schoten de prijzen opnieuw de hoogte in. Nooit eerder kon zoveel geld geraapt worden met de ontginning van schaarse grondstoffen. Maar met duurzame ontwikkeling heeft dit weinig te maken.

Door de transitie naar een circulaire economie (en bij uitbreiding elke maatschappelijke kwestie) te reduceren tot een zaak van individuele economische keuzes, heeft de overheersende marktideologie een depolitiserend en antidemocratisch effect.

Als we meer dan lippendienst willen bewijzen aan het streven naar duurzame ontwikkeling als sociaal-ecologische rechtvaardigheid, komt het er op aan beslissingen over belangrijke maatschappelijke uitdagingen uit de economische privésfeer te halen, en ze democratisch te laten beslechten, los van de marktlogica. Pas dan kan het potentieel van een technologische ontwikkeling op maat van mens en planeet echt tot zijn recht komen.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPrint this pageEmail this to someone