Voor leerlingen die liever geen 5 dagen op de schoolbanken leren, zijn er de systemen van deeltijds leren en werken. Vanaf 1 september veranderde er het een en ander binnen dit stelsel. We hebben het dan niet enkel over de naamsverandering, namelijk van leren en werken naar duaal leren, maar ook en vooral over de vergoeding die jongeren (al dan niet) krijgen.

Waarom een hervorming?

Hoog tijd voor duaal leren, schrijft de VDAB in haar schoolverlatersrapport, en ze geeft daarmee meteen een goeie omschrijving van het opzet:

 “Duaal leren moet een meer positieve én volwaardige keuze worden dan vandaag het geval is. Dit betekent dat leerlingen die bewust kiezen voor duaal leren hetzelfde diploma moeten kunnen behalen als leerlingen die voltijds op school blijven. Op die manier kan aan leerlingen uit het duaal systeem maximale arbeidsmarktkansen worden gegeven.”

Sinds de zesde staatshervorming is Vlaanderen bevoegd voor het hele verhaal van deeltijds leren en werken: zowel het stukje onderwijs als wat men ‘de werkcomponent’ noemt. De Vlaamse regering wil het huidige leren en werken opwaarderen en start vanaf 1 januari 2017 met het “nieuwe” stelsel’duaal leren’. Dit systeem zou als volwaardige leerweg, naast het voltijds secundair onderwijs, moeten bestaan. Het doel: het systeem verbeteren en er een positieve keuze van de leerling van maken..

Op 1 september 2016 gingen de eerste pilootprojecten van start. Tijdens het schooljaar 2016-2017 organiseren 33 scholen en 5 Syntra-lesplaatsen 1 van de 7 duale opleidingen in het voltijds secundair onderwijs (bv. elektrische installaties in het BSO), het Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs (bv. ruwbouw)  of de leertijd (bv. haarverzorging).

In een duale of alternerende opleiding leert de jongere een aantal dagen in de opleidingsinstelling en een aantal dagen op de werkplek, in een onderneming. De leer- en werkcomponent zijn zowel inhoudelijk als organisatorisch op elkaar afgestemd en beogen samen de uitvoering van één opleidingsplan. Het einddoel: het behalen van een getuigschrift of diploma.

De Vlaamse regering wil nu de verschillende bestaande statuten en overeenkomsten die tot nu toe gebruikt werden in één nieuw systeem gieten. Dat moet het geheel transparanter maken. Dat is op zich een goed idee. Vandaag bestaan er namelijk een groot aantal verschillende statuten waaraan telkens een eigen vergoeding en voorwaarden verbonden zijn. Zo is er de  Industriële Leerovereenkomst (ILO), het Industrieel Leercontract (ILC), het Industrieel Leerlingenwezen  (ILW), de Individuele Beroepsopleiding (IBO), de Individuele Beroepsopleiding Deeltijdse Overeenkomst (IBO-DO), de Beroepsinlevingsovereenkomst (BIO) en de deeltijdse arbeidsovereenkomst.

Er moet nog veel uitgeklaard worden over hoe het systeem in de toekomst zal werken. Vandaar ook dat er met proeftuinen gewerkt wordt. Maar één ding werd al wel beslist: de vergoeding die de jongere krijgt voor zijn werk.

Impact op de vergoeding

Laten we het even concreet maken: Neem nu Samira (15) en Bart (21). Beiden startten vorig jaar in het Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs (DBSO). Samira volgt er een opleiding haarverzorging, Bart ruwbouw. Zij volgen drie dagen per week opleiding op de werkvloer en kregen hiervoor een leeftijdsafhankelijke vergoeding tussen de 480,6 euro en 751 euro per maand.

Mochten Samira en Bart pas op 1 september 2016 ingestapt zijn in het stelsel Leren en Werken en daarbij gekozen hebben voor de duaal ingerichte opleidingen haarverzorging en ruwbouw, kregen ze  een veel lagere leervergoeding van 444,30 euro per maand.  Ze moeten zich gedurende hun opleidingstraject ook niet aan een hogere vergoeding dan 528,60 euro per maand verwachten. Dit om minstens 20 uur per week op de werkvloer te werken…

duaal-leren_haarverzorging

Meer dan de helft van de 11.000 jongeren die duaal leren, krijgen in de toekomst een flink lagere vergoeding.

Vanaf 1 september 2016 bestaan nog twee andere mogelijkheden. Ofwel krijg je, net zoals Samira en Bart, een ‘Overeenkomst Alternerende Opleiding’ (OAO), omdat je meer dan 20 uren leert op de werkplek. Je leervergoeding stijgt dan per opleidingsjaar. Ofwel krijg je, indien de leerwerkplekcomponent van je opleiding minder dan 20 uren telt, geen ‘overeenkomst’ maar een ‘stageovereenkomst alternerende opleiding’. Met deze overeenkomst bouw je geen sociale rechten op en werk je voor de ronde som van… 0 euro!

Voor een aantal opleidingen binnen de social profitsector bestaat nog een uitzondering. Daar blijft een deeltijdse arbeidsovereenkomst mogelijk, waardoor in deze sector momenteel niks verandert. Men voorziet, bij wijze van overgangsmaatregel, ook tijdelijk de mogelijkheid om voor opleidingen die nog niet door de Vlaamse regering de titel ‘duaal’ kregen en waar de leerling minder dan 20 uur op de werkplek leert, een deeltijdse arbeidsovereenkomst te sluiten.

Over het geheel bekeken betekent de hervorming dat meer dan de helft van de 11.000 jongeren die in het systeem zitten, in de toekomst een flink lagere vergoeding zullen krijgen.

Gemiste kansen

Laten we ons eerst en vooral geen illusies maken over de lessen die uit de proeftuinen te trekken vallen. Het nieuwe stelsel ‘duaal leren’ zal zijn definitieve intrede doen op 1 januari 2017. Dit terwijl de proefprojecten 2 jaar duren. Een grondige evaluatie zal dus niet de basis vormen van dit systeem. De conclusies komen te laat.

Het is in de eerste plaats frappant dat de Vlaamse regering niet kiest voor een tijdelijk proefstatuut of een sectorale invulling, maar in één klap de lat omlaag haalt voor bijna alle leerlingen. De discussie over hoeveel de vergoeding van jongeren die leren en werken dan wel moet bedragen, is niet eenvoudig. Veel hangt af van de mate waarin er echt geleerd wordt op de werkplek, dan wel de mate waarin er ook productief wordt meegewerkt en er dus een duidelijk profijt is voor het bedrijf. Het is daarbij zoeken naar een evenwicht en kan naargelang de sector ook flink verschillen.

Maar als dit de manier is om jongeren die liever geen 5 dagen per week op de schoolbanken doorbrengen te motiveren tot het behalen van een diploma secundair onderwijs, dan vrezen we dat men de bal ernstig mis slaat. Daarnaast rest nog de vraag of dit systeem überhaupt meer jongeren zal aantrekken.

Bovendien valt te vrezen dat er meer en meer opleidingstrajecten georganiseerd zullen worden met minder dan 20 uur werkplekleren, zodat de werkgever geen vergoeding moet betalen (en dus gewerkt kan worden met een stageovereenkomst).

Maar ook tussen opleidingsinstellingen onderling wordt concurrentie in de hand gewerkt. De ene leerling zal bijvoorbeeld slechts 20 uren in de leer gaan op de werkvloer, terwijl vrienden, die hun opleiding elders volgen, 23 uur zullen moeten werken voor dezelfde vergoeding. Stel u in de plaats van een werkgever…

Wat de incentives voor werkgevers betreft maakt de Vlaamse regering eveneens een duidelijke keuze. Met de hervorming van doelgroepkortingen voor jongeren ontvangt een werkgever die een jongere moet betalen binnen het systeem 1.000 euro per kwartaal. Na de opleiding kan deze blijven lopen. De werkgevers ontvangen dus gedurende vele jaren een ruime RSZ-korting. De jongeren moeten het stellen met minder dan vroeger of met niets…

Een kwestie van prioriteiten?