VOKA is niet meer weg te denken uit het werkgeverslandschap. Ook in de media domineren zij regelmatig het publieke debat. Maar wat voor een beest is dat nu eigenlijk, en waarom zeggen zij de dingen die zij zeggen?

VOKA voor Vlaanderen, Vlaanderen voor VOKA

Wie denkt dat de structuur van de vakbonden hopeloos ingewikkeld is, die moet eens een blik werpen op het werkgeverslandschap. UNIZO, VBO, Agoria, Fevia, Federgon, VOKA … Het zijn allemaal namen die iedereen kent, maar wie kan er nog aan uit wie van hen nu precies welke bedrijven vertegenwoordigt?

Volgens Trends zijn er in België maar liefst 163 werkgeversorganisaties erkend in het sociaal overleg. Het is een kluwen dat niet bepaald de sfeer van efficiëntie een eenvoud uitstraalt die werkgevers doorgaans van de overheid verwachten.

De meeste werkgeversorganisaties zijn federaal gestructureerd of hebben vleugels in alle landsdelen. Logisch, want bedrijven – en zeker grotere bedrijven – stoppen hun activiteiten niet aan de taalgrens. Vlaanderen is daar ook veel te klein voor.

Bij VOKA ligt dat wat anders, want zij hebben een expliciet Vlaams profiel. Voor een stuk komt dat door het verleden. VOKA is in het begin van de 21ste eeuw ontstaan vanuit een alliantie tussen de Vlaamse Kamers van Koophandel en het Vlaams Economisch Verbond (VEV). Dat VEV bestond al sinds de jaren 1920, toen het werd opgericht vanuit een onvrede van sommige bedrijfsleiders over het Centraal Nijverheidscomité dat later deel zou gaan uitmaken van het VBO (Verbond van Belgische Ondernemingen), en dat men beschouwde als te veel gericht op de belangen van de Franstaligen.

“VOKA heeft een belangrijke handicap als belangenorganisatie: op het federale niveau mogen zij niet meespelen.”

Het VEV was nauw verbonden aan de strijd van de Vlaamse Beweging. Zo werd er bijvoorbeeld in de jaren dertig vanuit het VEV een actie gevoerd waarbij Vlaamse bedrijven post die ze in het Frans ontvingen terugstuurden met een opschrift “Terug naar afzender”. Voor de oprichting van de IJzertoren doneerde het VEV 25.000 Frank.

De focus op de Vlaamse zaak is dus een historisch gegeven dat VOKA meedraagt. Een belangrijk gevolg daarvan is dat zij tot op vandaag een belangrijke handicap hebben als belangenorganisatie: op het federale niveau mogen zij niet meespelen.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld UNIZO zit VOKA niet in de Groep van 10, de federale sociale partners. Daar zit immers het federale VBO aan tafel. Hoewel alle werkgeversorganisaties vandaag graag stellen dat het sociaal overleg niet werkt – ze krijgen immers toch hun zin van de regering – geldt dat nog sterker voor VOKA. Zij hebben daar ook een goeie reden voor: in het federale niveau staan zaken op de agenda als het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en de vennootschapsbelasting.

Daarover kan VOKA dus niet meepraten. Als ze er toch invloed op willen uitoefenen, dan moet dat via de pers en via lobbywerk naar de politiek. En dan heb je er extra baat bij om te zeggen dat het sociaal overleg niet werkt.

Werkgeversorganisatie of lobbytanker?

Fun fact: VOKA-lobbyisten gaan bij wijze van spreken wekelijks op de koffie bij de kabinetten van de N-VA-ministers. UNIZO doet dat trouwens ook, al hebben zij ook structureel overleg met hun traditionele partner CD&V en eten zij dus van twee walletjes.

De kabinetten van de N-VA-ministers zijn goed bevolkt met mensen die voorheen voor werkgeversorganisaties werkten. De huidige Vlaamse minister van Werk, Philippe Muyters, is trouwens een van de vorige bazen van VOKA. Op zich is zoiets niet uitzonderlijk of anders dan bij andere partijen, maar het verklaart wel mee de nauwe band tussen werkgevers en de huidige regeringen en waarom het sociaal overleg soms zo moeilijk loopt.

Als je iets gedaan kan krijgen van papa Michel of Bourgeois, dan ga je daar niet eerst over onderhandelen met je stiefmoederlijk behandelde vakbondsbroertje in het sociaal overleg. Als je je zin niet krijgt, dan probeer je het toch via overleg. Een win-win situatie dus.

De band van VOKA met de N-VA is historisch vergelijkbaar met die tussen UNIZO en de CD&V. Maar het is ook een strategische band. De N-VA had immers jarenlang door haar eigenheid dezelfde handicap als VOKA: niet mogen meespelen op het federale niveau. Zoveel mogelijk bevoegdheden naar Vlaanderen trekken was dus de gedroomde manier voor beiden om die invloed wel te krijgen.

VOKA en staatshervorming zijn dus begrippen die je in één adem uitspreekt. Lobbywerk verkiezen boven sociaal overleg is voor VOKA een tweede natuur, net omdat ze niet overal mogen meepraten.

VOKA Bart De Wever

De kabinetten van de N-VA-ministers zijn goed bevolkt met mensen die voorheen voor werkgeversorganisaties werkten.

Enige schizofrenie is VOKA niet vreemd

Ondanks die verbondenheid met de Vlaamse zaak is zowel het VEV als VOKA altijd een intern verdeelde organisatie geweest. Dat vloeit onder andere voort uit het feit dat de Kamers van Koophandel niet dezelfde Vlaamsgezinde geschiedenis hadden als het VEV, maar ook uit de evidente vaststelling die we al maakten: grote bedrijven stoppen niet aan de taalgrens.

Niet alle VOKA-leden zijn altijd even gelukkig met de regionalisering van bevoegdheden. Als je bijvoorbeeld vestigingen hebt in Vlaanderen, Wallonië en Brussel en de RSZ-kortingen worden door staatshervorming anders geregeld in elke regio, dan betekent dat ook 3 verschillende systemen voor 1 bedrijf en een hoop papierwerk. En wat met wie pendelt van één gewest naar een ander, wanneer de ene regeling op woonplaats is gebaseerd en de andere op de plaats waar je werkt?

Daarnaast is er het erg grote belang van sectoraal sociaal overleg. Sectorale werkgeversfederaties zoals Agoria zijn federaal gestructureerd, maar werken ook via de interprofessionele werkgeversorganisaties zoals VOKA en het VBO. Ook daar durven de belangen al eens botsen. Het betekent ook een probleem van legitimiteit voor VOKA: zonder steun van die sectorale collega’s kan je je immers de vraag stellen wie ze nog zouden vertegenwoordigen.

Is VOKA de baarlijke duivel?

VOKA is in menig opzicht een werkgeversorganisatie als een andere. Net als bij hun collega’s vind je binnen VOKA radicale strekkingen, die voluit gaan voor een N-VA-agenda en voor de frontale aanval op de vakbonden, maar ook een meer gematigde strekking, die inziet dat sociaal overleg een langetermijnrelatie is die je best toch een beetje onderhoudt. Want regeringen komen en gaan, maar vakbonden en werkgevers blijven bestaan.

De strijd tussen die strekkingen woedt momenteel in alle werkgeversorganisaties. De vraag die men zich stelt is dan: gaan we samen met de rechtse regeringen proberen om eens en voor altijd komaf te maken met de vakbonden, of profiteren we van wat we nu kunnen binnenhalen zonder de algemene oorlog te verklaren, met het oog op de toekomst? Veel publieke verklaringen doen vermoeden dat het eerste kamp momenteel aan de winnende hand is, maar dat betekent niet dat het andere niet meer bestaat.

“VOKA verkiest lobbywerk boven overleg”

De specifieke situatie waarin VOKA zit, leidt echter wel tot een aantal bijkomende problemen. Een voorbeeld daarvan is de discussie rond het betaald educatief verlof (BEV) die nu gevoerd wordt. BEV werd sinds de zesde staatshervorming Vlaamse materie. Tegelijk zijn er zaken rond opleiding die federaal blijven (bv. de 1,9% van de loonmassa die bedrijven moeten spenderen aan opleiding) en waar er ook over gediscussieerd wordt.

VOKA blokkeert nu het Vlaamse sociaal overleg over BEV, uit frustratie over het feit dat zij niet betrokken zijn bij wat er federaal wordt afgesproken. Zo is het natuurlijk moeilijk werken. De eigenheid van VOKA wordt zo in deze discussie op zich een probleem en een oorzaak van waarom sociaal overleg soms vastloopt.

Zij creëren op die manier echter ook een probleem voor zichzelf. Deze tactiek versterkt immers de neiging om lobbywerk te verkiezen boven overleg. En bij lobbywerk ben je altijd afhankelijk van waar de broodheer wel of niet naar wil luisteren. Ook al voeren de regeringen momenteel een beleid dat de werkgeversorganisaties zint, ze zijn het lang niet altijd eens met alles wat er gebeurt.

Wanneer de rechtse politiek de werkgevers op een bepaald moment zou laten vallen (wat bij een politiek die steeds populistischer wordt niet totaal ondenkbaar is) of wanneer er een heel andere regering aan de macht zou komen, dan blijf je achter met een uitgehold sociaal overleg en met een totale afhankelijkheid van de politiek.

De radicale strekking binnen VOKA (en anderen) organiseert zo een toekomst waarin alle werkgevers zwakker zullen staan ten aanzien van de politiek en waarin verzwakte vakbonden bovendien ook zullen leiden tot meer sociaal conflict in de bedrijven omdat er minder overleg mogelijk is. Een toekomst dus met een handicap voor alle werkgevers…