De toegang tot justitie staat onder druk. De federale regering voerde al vier maatregelen in die het moeilijker maken ‘voor de gewone man’ om rechtszaken aan te spannen. Is de klassenjustitie terug van weggeweest? Aan u om te oordelen.

Invoeren 21% BTW op advocaten

Sinds 1 januari 2014 wordt BTW geheven op de diensten verricht door advocaten.

Deze – budgettaire – maatregel werd ingevoerd onder auspiciën van de toenmalige minister van financiën, Koen Geens. Tijdens het parlementaire debat werd reeds gewezen op de impact van deze maatregel op de toegang tot het gerecht voor particulieren.

Ondernemingen die zelf BTW-plichtig zijn, kunnen de BTW eenvoudigweg aftrekken, zodat het voor hen een neutrale operatie is.

Burgers hebben deze mogelijkheid niet. Ook vakbonden, die voor rechters opkomen voor hun leden, worden geconfronteerd met deze meerkost.

Om deze redenen stapte het ABVV, samen met o.a. het Netwerk tegen Armoede, naar het Grondwettelijk Hof om deze maatregel ongedaan te maken. Het Hof besloot om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie, gezien de regering zich beriep op een Europese BTW-richtlijn, richtlijn die een vrijstelling voor diensten verricht door advocaten mogelijk maakt, in afwachting van een definitieve regeling.

In haar te betreuren arrest van 28 juli 2016, oordeelde het Hof van Justitie dat het feit dat een partij in staat is hogere advocaathonoraria te betalen dan de tegenpartij, niet noodzakelijk leidt tot een betere vertegenwoordiging in rechte. En wordt door het Hof eenvoudigweg aangenomen dat wie geen recht op rechtsbijstand heeft, over de nodige middelen beschikt om toegang tot de rechter te krijgen.

Toch oordeelde het Grondwettelijk Hof uiteindelijk dat de regering de plicht heeft om de regelgeving inzake het recht op rechtsbijstand aan te passen, opdat de financiële last die de BTW-plicht met zich meebrengt, gecompenseerd wordt voor rechtzoekenden die niet over de nodige middelen beschikken.

Hervorming rechtsbijstand

Het recht op rechtsbijstand omvat twee luiken: enerzijds is er de eerstelijnsbijstand, die wordt voorzien door de justitiehuizen, waar je terecht kan voor gratis juridisch advies. Daarnaast is er de tweedelijnsbijstand, die inhoudt dat wie een beperkt inkomen heeft, zich gratis kan laten bijstaan door een advocaat, de zogenaamde ‘pro deo’-regeling. .

De justitiehuizen werden in 2014 een regionale bevoegdheid. Sindsdien zijn wat Vlaanderen betreft, de wachtlijsten er met meer dan een derde gestegen. De bevoegde minister in Vlaanderen, Jo Vandeurzen, is een partijgenoot van minister Geens. Afstemming tussen beiden, zou vlot moeten kunnen verlopen.

Maar het is vooral de tweedelijnsbijstand die de laatste jaren steeds verder werd beperkt. Iets wat de vorige minister van justitie, Annemie Turtelboom al beoogde, maar wegens protest uiteindelijk niet doorvoerde. Nieuw protest vanwege het platform ‘Recht voor Iedereen’ deed deze keer de minister echter niet afzien van diens plannen.

Over welke maatregelen gaat het?

Allereerst werd de voorwaarde om recht te hebben op gratis tweedelijnsbijstand verstrengd. Terwijl vroeger enkel werd gekeken naar het inkomen, wordt nu een bestaansmiddelentoets doorgevoerd.

Je wordt dus de facto bijna verplicht om je huis te verkopen vooraleer je in aanmerking komt.

Vervolgens werd ook een ‘remgeld’ ingevoerd. Op een aantal uitzonderingen na, is de tweedelijnsbijstand niet meer helemaal gratis, maar wordt een deel van de kosten door de rechtszoekende gedragen. Het remgeld bedraagt 20€ voor de aanstelling van de advocaat en 30€ per aanleg. Het gaat hier om forfaitaire bedragen, die dus niet zijn aangepast aan de financiële draagkracht van de betrokkene. Enkele categorieën zijn –gelukkig – vrijgesteld.

Daarnaast is er gedeeltelijk kosteloze rechtsbijstand. Dit wil zeggen dat de advocaat bovenop het remgeld een bijdrage kan vragen om zijn prestaties te dekken. Het bedrag wordt vastgesteld onder toezicht van het Bureau voor Rechtsbijstand en kan 25 tot 125 euro bedragen.

Een alleenstaande met een maandelijks inkomen van dat 1 euro boven de inkomensgrens ligt, komt zo al gauw aan een factuur van 75 tot 175 euro om een rechtszaak op te starten.

De minister spreekt van “een bescheiden bijdrage”, maar 175 euro is voor iemand met een maandinkomen van 943 euro een vijfde van diens inkomen.

Ondanks deze maatregelen, stelde de minister in de loop van 2017 nog steeds een financieringstekort vast voor de pro deo’s. Om geen middelen uit de begroting te moeten gebruiken, werd een “Financieringsfonds voor de tweedelijnsbijstand” opgericht, dat gespijsd wordt door… u raadt het al: de rechtszoekende.

Ieder die een rechtszaak opstart en zelf geen recht heeft op juridische bijstand, betaalt sinds 1 mei 2017 een forfaitaire bijdrage van 20 euro aan het Fonds. Voor wie net te veel verdient om aanspraak te maken op rechtsbijstand, komt er dus meteen nog een factuur van 20 euro bovenop.

Maar niet getreurd, er is een wonderoplossing om de toegang tot de rechter te blijven verzekeren: sluit gewoon een rechtsbijstandsverzekering af. En als die rechtsbijstandsverzekering fiscaal aftrekbaar gemaakt wordt (op kosten van de maatschappij), dan staat die (private) verzekering toch ook open voor iedereen? Het zal duidelijk zijn: Vooral de private verzekeraars hebben hier dus baat bij.

Het verhogen van de rolrechten

Rolrechten zijn een belasting die men dient te betalen om een rechtszaak te mogen beginnen. Als het ware een toegangsticket om een rechtszaak op de ‘rol’, op de agenda van de rechtbank te krijgen. En dit als bijdrage in de kosten van de rechtspleging.

Het zal niet echt als een verrassing komen, maar ook de regelgeving inzake deze rolrechten is door minister Geens gewijzigd. En dit enkel en alleen om de drempel om een rechtszaak aan te gaan te verhogen (hetgeen zelfs fier door de minister verklaard werd).

Ook hier betrof het een al eerder door Turtelboom voorgestelde maatregel, die ook toen de nodige kritiek over zich heen kreeg. Niet enkel van de ‘usual suspects’ overigens. Kritiek of niet, minister Geens zette door en in juni 2015 trad de nieuwe regeling in werking.

Over welke maatregelen gaat het?

– het bedrag van het te bepalen rolrecht gaat drastisch de hoogte in. In bepaalde gevallen gaat het over een vervijfvoudiging;

– niet langer het betalen van een rolrecht per zaak die men opstart, maar per eisende partij. Samen een rechtszaak inspannen om de kosten te delen (via een groepsvordering), haalt dus niets meer uit;

– het rolrecht stijgt in functie van de waarde die aan de zaak gegeven wordt;

– arbeidsgeschillen worden niet langer vrijgesteld van het betalen van rolrechten. Zodra het geschil een waarde hoger dan 250.000 euro heeft, wordt ook voor arbeidsgeschillen een rolrecht aangerekend.

Ook tegen deze wet werd naar het Grondwettelijk Hof getrokken, nu door onder meer de Orde van Vlaamse Balies en Test-Aankoop.

Het Hof gaf de eisers gelijk en vernietigde de wet.

In haar arrest van 9 februari 2017 hekelt het Hof – in navolging van eerdere kritiek door de Raad van State – de link die gelegd wordt tussen de waarde van een rechtsvordering en de kosten verbonden aan de rechtszaak. Rechtszaken in verband met een erfdienstbaarheid kunnen ingewikkeld zijn, ook al staat er slechts een gering belang op het spel, terwijl de behandeling van een geschil over een onbetaalde factuur van een aanzienlijk bedrag eenvoudig kan blijken.

De wetgever kreeg tot 31 augustus 2017 de tijd om de regelgeving te wijzigen. Minister Geens liet zich niet van de wijs brengen, en heeft ondertussen een nieuw voorstel klaar. Verrassing: het voorstel houdt opnieuw een drastische verhoging van de rolrechten in! Toch nog een troost: zaken voor de arbeidsrechtbank worden opnieuw allemaal vrijgesteld en de link met de waarde van de rechtszaak valt ook weg.

Ook wat dit voorstel betreft, blijft de Raad van State kritisch over de impact op het recht tot toegang tot de rechter. De Raad beveelt de wetgever aan te onderzoeken of het recht op toegang tot de rechter niet op onevenredige wijze beperkt wordt, en of geen aparte regeling dient uitgewerkt te worden voor personen die net boven de inkomensgrens om van volledige of gedeeltelijk kosteloze tweedelijnsbijstand te genieten vallen.

De afkoopwet

De ‘afkoopwet‘ maakt het mogelijk dat verdachten in fraudezaken een boete krijgen in plaats van een veroordeling. Verdachten kunnen een veroordeling letterlijk afkopen. Het spreekt voor zich, dat om een veroordeling te kunnen afkopen, je vermogend genoeg dient te zijn.

Het bekendste toepassingsvoorbeeld van de afkoopwet, is de Belgisch-Oezbeekse miljardair Patokh Chodiev.

Koen Geens is steeds een groot voorstander geweest van de afkoopwet. Jammer genoeg voor hem, werd halfweg 2016 ook de afkoopwet door het Grondwettelijk Hof vernietigd.

Het Hof oordeelde dat een minnelijke schikking zonder “daadwerkelijke rechterlijke controle” een schending uitmaakt van onze grondwet, maar ook van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Wat minister Geens echter niet van richting doet veranderen. Neen, hij wil de afkoopwet ‘in ere’ herstellen…

Tijd voor een debat

De vier genoemde maatregelen hebben één zaak gemeen: ze maken de toegang tot justitie moeilijker voor wie minder bemiddeld is. En dan hebben we het nog niet eens gehad over het inperken van het aantal vredegerechten, de meest laagdrempelige rechtbanken die er in België bestaan. De nabijheid van justitie voor de burger komt zo verder in het gedrang.

Bovendien gebeurt dit allemaal zonder noemenswaardig publiek debat. De aandacht voor justitie gaat meestal naar schandalen en dossiers met mogelijke politieke inmenging, of  anders naar de trage werking van het systeem en de nood aan modernisering.

Terechte onderwerpen om te bekijken, maar ondertussen blijft het rond een andere vraag echter stil: hoe duur mag justitie zijn voor de gewone man, vooraleer we terug moeten spreken van klassenjustitie?

 

 

 

Lander Vander Linden schreef dit artikel samen met Astrid Thienpont (adviseur studiedienst ABVV). Want samenwerken werkt 😉