Afgelopen maand startte onderzoeksinstelling Vito met de bouw van de eerste aardwarmtecentrale in Vlaanderen. Midden volgend jaar moet ze werken. Dringend tijd om dit beestje van dichterbij te bekijken. Wat aardwarmte is en dat we er 468 centrales van kunnen bouwen in de Kempen las je al in deel 1 van deze blog.

In deel 2 gaan we dieper in op wat we er mee willen en kunnen doen en welk beleid er dan nodig is.

Wat we vandaag doen

In 2016 werd een beleidskader voor geothermie ofte aardwarmte ingevoerd. Initiatiefnemers die ofwel aardwarmte willen opsporen, ofwel aardwarmte willen winnen moeten daarvoor een vergunning aanvragen bij de Vlaamse Regering. Deze regeling volgt het klassieke schema van een vergunningsstelsel.

De overheid wacht af tot een private initiatiefnemer een projectvoorstel indient. Vervolgens gaat de overheid na of dat voorstel niet in conflict komt met een andere activiteit (bv. een andere winnen van aardwarmte, opslag in de ondergrond van CO2 in het kader van een project voor carbon capture & storage). Ze controleert verder of het project voldoet aan kwaliteitseisen, bv. op milieukundig en economische vlak, en ze legt zo nodig voorwaarden op om dit te verzekeren.

De regering wil nu een bijkomende stap zetten door een garantieregeling in te voeren voor diepe geothermieprojecten.

Aardwarmteprojecten kunnen altijd mislukken omwille van het geologisch risico. De eigenschappen van de aangeboorde geologische laag kunnen dusdanig zijn dat uit het project onvoldoende nuttige warmte gehaald kan worden om de investeringskosten terug te verdienen.

Dat risico schrikt potentiële investeerders af. In Nederland leert de ervaring dat ongeveer één op tien projecten mislukken. De regering wil aan dit probleem verhelpen met de belofte dat ze een deel van de aan het project verbonden kosten terugbetaalt als het project inderdaad minder warmte oplevert dan verwacht. Ze reserveert daarvoor 30 miljoen euro. De projectontwikkelaars zouden in ruil een soort van verzekeringspremie betalen.

Naast dit beleidskader geven de Vlaamse en Europese overheden ook financiële en niet-financiële steun aan diepe aardwarmte.

Volgens recente berekeningen van de Minaraad en de SERV kregen diepe aardwarmteprojecten in Vlaanderen tussen 2010 en 2017 meer dan 20 miljoen euro steun. Het overgrote deel kwam van de Vlaamse overheid, al waren er ook Europese middelen. Onderzoeksinstelling VITO – niet toevallig met zetel in Mol – is zeer vaak betrokken bij de projecten. Daarnaast was er ook niet-materiële ondersteuning van geothermie, o.a. onder de vorm van studieopdrachten.

Waarom dat meer mag zijn

Het energiesysteem staat met de klimaatsverandering volop in de belangstelling. Maar die aandacht gaat vaak naar windmolens en zonnepanelen.

Dat warmte uit hernieuwbare bronnen (groene warmte) een belangrijke pijler is van een klimaatneutraal energiesysteem, is minder bekend. Dat is jammer, groene warmte heeft een groot en nog grotendeels onbenut potentieel.

Een vergelijking tussen het elektriciteitsverbruik (meestal niet voor warmtetoepassingen en het gasverbruik (vooral voor warmtetoepassingen) maakt dat duidelijk: het gemiddelde elektriciteitsverbruik bij een gezin bedraagt 3.514 kilowattuur per jaar, het gemiddeld gasverbruik zit aan 12.519 kilowattuur per jaar.

Dat het gasverbruik bijna vier keer hoger ligt, geeft aan dat een ambitieus beleid op het vlak van (groene) warmte dringend nodig is. Geothermie kan een onderdeel zijn van dat verhaal. Demonstratieprojecten voor diepe aardwarmte verdienen dan ook een kans.

Een flinke dosis enthousiasme is nodig om te komen tot nieuwe oplossingen, liefst dan voor grote maatschappelijke uitdagingen. Maar dat enthousiasme mag niet verworden tot een wonderverhaal over een nieuwe technologie die al onze problemen in één klap kan oplossen. Beleidsmakers moeten met een ruime en heldere blik blijven kijken.

Stel dat Vlaanderen er in zou slagen om het totale technische potentieel voor diepe geothermie (16.874 GWh) te realiseren, dan komt dat overeen met twee derde van de Vlaamse hernieuwbare energiedoelstelling voor 2020. Maar tegen de tijd dat alle nodige installaties effectief gebouwd zijn, moeten we al een veel hogere doelstelling halen.

Technologieontwikkeling verloopt in fases. Een idee moet omgezet worden in een praktijkexperiment waarbij de technische haalbaarheid wordt onderzocht. Een technisch werkend idee moet vaak stap voor stap verbeterd worden om na verloop van tijd hopelijk ook economisch rendabel te worden.

Elke (energie)technologie heeft voor- en nadelen op het vlak van milieu, leveringszekerheid en systeemkosten.

Technologieën kunnen op verschillende manieren economisch en maatschappelijk ingebed worden, wat telkens zorgt voor andere sociale effecten en een andere verdeling van de lusten en lasten tussen de verschillende bevolkingsgroepen.

Het is een van de redenen waarom het onderzoek naar en de ontwikkeling van geothermie moet kaderen in een ruime visie op het energiesysteem van de toekomst. Met welke technologieën willen we waar hoeveel hernieuwbare energie opwekken?

Zelfs als geothermie een succesverhaal wordt, dan is dat als een stuk van de puzzel en niet als de oplossing voor het hele hernieuwbare energievraagstuk.

Een visie moet ook een antwoord hebben op de vraag hoe we technologieën integreren in onze energienetten. In het geval dat geothermie kan doorbreken, gaat het bv. over de vraag waar we warmtenetten aanleggen en in welke mate die gasnetten overbodig maken. En hoe integreren we de technologieën in ons economisch en maatschappelijk weefsel? Wenden we de aardwarmte via warmtenetten aan voor gebouwenverwarming? Moeten we dan niet streven naar verdichting in dorps- en stadskernen om de aanleg van warmtenetten rendabel te maken?

Vooraleer we kunnen inschatten welke plaats geothermie kan innemen in de energiemix, moeten we de voor- en nadelen, de barrières en de uitdagingen beter in kaart brengen. Minaraad en SERV maakten al een inventaris.

Naast de eerder vermelde vragen over het concreet potentieel van geothermie, gaat het ook om de impact op onze leefomgeving (aardbevingen, radioactieve elementen, vervuiling, enz.), de concurrentie met andere economische activiteiten in de onder- en bovengrond, en de kans dat een project lukt, gelet op de technische en de geologische risico’s.

Er is dus werk op de plank. De kennishiaten moeten weggewerkt worden. Beschikbare kennis, bv. over demonstratieprojecten moet gebundeld en toegankelijk gemaakt worden zodat toekomstige projecten sneller vooruit kunnen. Dat is zeker het geval nu de kennis vooral is opgebouwd met overheidsmiddelen.

En welk soort beleid hebben we daarvoor nodig?

Gesteld dat we tot het besluit komen dat de voordelen van geothermie ruim opwegen tegen de mogelijke nadelen en dat investeringen economisch rendabel kunnen zijn, dan volgt de volgende lastige noot om te kraken. Welk soort van beleid hebben we nodig om van geothermie een succesverhaal te maken?

In dit dossier is het denkkader dat van het privé initiatief in een gereguleerde vrije markt gekoppeld aan de ondersteuning van ondernemers met onderzoek en centen. De overheid financiert het basisonderzoek. Als er een reële kans is dat de technologie kan ingezet worden in succesvolle projecten, komen de private investeerders aan boord. De overheid beoordeelt of de uitgewerkte private projecten aan een aantal minimumeisen voldoen.

Uit het winddossier weten we dat de nadelen van dit model duidelijk worden naarmate de technologie doorbreekt. Private projectontwikkelaars zijn verwikkeld in een race om de meest lucratieve projecten te ontwikkelen zonder dat er een overkoepelende visie is die erop gericht is om de mogelijkheden van de technologie te maximaliseren en de systeemkosten en nadelen te minimaliseren.

Conflicten – in dit geval tussen geothermieprojecten onderling of tussen geothermie en andere soorten gebruik van de ondergrond zoals de berging van nucleair materiaal of CO2 – worden beslecht op basis van het principe “first come, first serve”. Ofwel worden ze uitgevochten op het moment dat twee conflicterende projecten een vergunningsprocedure doorlopen. Ook al zijn wind of aardwarmte “commons”, dit model leidt ertoe dat de eerste de economische voordelen ervan opstrijkt.

Er is ook een andere aanpak mogelijk waarbij de overheid veel meer de regie in handen neemt.

Zolang de technologie zich in de ontwikkelingsfase bevindt kan ze de leiding nemen in een breed lerend netwerk dat ervaringen deelt op het vlak van technologie- en kennisontwikkeling. Vervolgens kan ze een gebiedsgerichte visie uitwerken. Die wijst dan uit in welke gebieden geothermie veelbelovend is in vergelijking met andere technologieën voor hernieuwbare energie. Ze geeft ook aan waar installaties best worden ingeplant zodat ze niet in conflict komen met elkaar en tegelijk een maximaal economisch potentieel hebben (bv. dicht bij een belangrijke warmtevraag).

Op basis van die visie kan ze de markt bevragen om na te gaan wie op een gegeven plaats een installatie wil bouwen tegen de beste socio-economische voorwaarden. De vergunning voor een dergelijk project kan dan ook veel vlotter verlopen dan vandaag het geval is.

In die tweede visie komt de Vlaamse Regering te vroeg met haar garantieregeling. En dat niet alleen omwille van de gebrekkige kennis over de voor- en de nadelen van geothermie. Met amper twee projecten in ontwikkeling kan een verzekeringsprincipe niet werken: er is te weinig informatie over het risico en er zijn niet genoeg projecten om te spreken over risicodeling.

Dus, beste ministers, fijn dat jullie enthousiast zijn over een nieuwe technologie om hernieuwbare energie op te wekken, maar verlies niet uit het oog dat daarnaast ook kennisopbouw, realisme en zorgvuldig beleid nodig zijn.