Het nieuwe schooljaar staat voor de deur. Een spannende start voor elke ouder die zijn kind voor het eerst achterlaat in de handen van de schooljuf of -meester. Een spannende start ook voor wie gaat verder studeren of zich wil bijscholen.

Ons onderwijs staat hoog aangeschreven en scoort goed in diverse internationale rankings. Sinds het aantreden van de huidige regering horen we echter vooral berichten over besparingen in het onderwijs (bv. De Morgen, 2014; De Tijd, 2015; newsmonkey, 2016) en over erg moeizame discussies over hervorming van het systeem.

Hoog tijd dus om eens te bekijken in welke richting ons onderwijs evolueert onder een rechtse regering. Hoe duur wordt onderwijs in de toekomst? Komt er meer of minder ongelijkheid? En hoe goed zullen schoolverlaters voorbereid zijn op een job? Het onderwijs van de toekomst, voor u doorgelicht.

Hoe duur wordt het onderwijs van de toekomst?

Schoolgaande kinderen kosten handenvol geld. En denken we dan niet alleen aan het geroep in de supermarkt: ‘Mama, ik wil deze boekentas!’, ‘Papa, ik wil deze stiften’…, maar ook aan de schoolfactuur voor allerhande extra kosten zoals uitstapjes, reizen, vervoer en maaltijden.

Volgens een onderzoek van de Gezinsbond en Test-Aankoop (met bijhorende petitie) loopt de rekening op tot 308 euro in de kleuterschool, 400 euro in de lagere school en bijna 1.300 euro in het secundair onderwijs. Nochtans bepalen zowel de Belgische grondwet als allerhande internationale verdragen dat leerplichtonderwijs kosteloos moet zijn.

Ironisch genoeg ging in de kleuterklas de factuur als eerste omhoog.

De realiteit is anders en het huidige beleid helpt de zaken niet vooruit, integendeel. Betaalbaar onderwijs komt steeds meer onder druk te staan. Scholen compenseren de besparingen die worden doorgevoerd met stijgende schoolfacturen. Zoals het in deze legislatuur de regel lijkt te zijn, betekent ‘besparen’ dat de burger betaalt. Zo luidt ook de alarmerende berichtgeving uit onderwijshoek: “Scholen moeten straks nog wafelbak organiseren om rond te komen”, “Leerkrachten betalen bijscholing uit eigen zak“.

Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) verkondigde bij het begin van de legislatuur terecht dat het verlagen van drempels reeds begint in de kleuterklas (“Crevits: ‘Inschrijvingsgeld blijft onder 1.000 euro”, 2014). Ironisch genoeg is het ook in die kleuterklas dat de factuur als eerste omhoog ging.

De maximumfactuur voor kleuters steeg vanaf 1 september 2015 van 25, 35 of 40 euro (afhankelijk van de leeftijd van de kleuter) naar 45 euro. Voor een kind in het basisonderwijs werd de maximumfactuur opgetrokken van 70 naar 85 euro. Maar niet alleen de ouders zijn de dupe. Uit een bevraging van de onderwijsvakbond COV blijkt dat bijna alle leerkrachten vandaag zelf extra lesmateriaal aankopen en betalen uit eigen zak, en dit voor een bedrag van meer dan 260 euro per jaar.

Factuur van 1500 euro extra per kind

Niet zoveel later werd ook het inschrijvingsgeld in het hoger onderwijs opgetrokken, van 620 euro naar 890 euro. Op een gemiddelde schoolloopbaan spreken we dus al snel over 1000 à 1500 euro extra per kind.

Zelfs indien er geen verdere besparingen volgen tijdens deze regeerperiode zullen we in de toekomst echter nog meer gaan betalen voor onderwijs. De hervorming van de kinderbijslag zal daar namelijk nog een schepje bovenop doen. Zoals we al eerder berichtten zal het laten verder studeren van kinderen (voor kinderen geboren vanaf januari 2019) flink duurder worden voor gezinnen met meer dan 1 kind. In het nieuwe systeem zullen zij beduidend minder kinderbijslag krijgen dan in het oude systeem.

Onderwijs_Muziekschool_

Het inschrijvingsgeld aan de muziekschool steeg naar 300 euro.

Ook voor volwassenen die verder studeren ging de factuur omhoog. Hoewel het stimuleren van levenslang leren zogenaamd een doelstelling blijft van deze Vlaamse regering, verhoogde ze het inschrijvingsgeld in het volwassenenonderwijs van 1,15 euro naar 1,50 euro per uur. Voor een taalcursus van 120 uur moet je nu dus 180 in plaats van 138 euro neertellen.

In het deeltijds kunstonderwijs betaal je plots één derde meer, nl. 300 euro in plaats van 202 euro. En ook de opleidingscheques voor hooggeschoolden werden afgeschaft. Deze maatregel waarbij volwassenen tot 125 euro gecompenseerd konden zien in hun kosten, is voor hooggeschoolden enkel nog toegankelijk wanneer ze loopbaanbegeleiding volgden en wanneer de voorgestelde opleiding in hun ontwikkelingsplan past.

Het resultaat van deze ingreep is nu al  duidelijk zichtbaar in de cijfers: vergeleken met 2014 halveerde het budget voor opleidingscheques van 7.037.000 euro tot 3.636.455 euro. Het aantal gebruikers daalde van 103.997 in 2014 naar 51.102 in 2015.

Het tweede Verdrag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stelt in Artikel 25-1: “Een ieder heeft recht op onderwijs; het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat het lager en beginonderwijs betreft. Het lager onderwijs zal verplicht zijn. Ambachtsonderwijs en beroepsopleiding zullen algemeen beschikbaar worden opgesteld. Hoger onderwijs zal gelijkelijk openstaan voor een ieder, die daartoe de begaafdheid bezit.”

Reeds in 1948, bij het opstellen van de Universele Verklaring, was duidelijk dat financiële drempels gelijke toegang belemmeren.

Leidt het onderwijs van de toekomst tot meer gelijkheid?

Een andere vaststelling die keer op keer gemaakt wordt over ons onderwijssysteem (bijvoorbeeld onlangs nog door de OESO) is dat een grote mate van ongelijkheid een probleem is en blijft. De sociaal economische achtergrond van leerlingen bepaalt in zeer sterke mate hoe hun leertraject eruit zal zien. Slechts 6% kinderen van laaggeschoolde ouders beginnen aan hoger onderwijs (OESO, 2013). Ons onderwijs reproduceert dus ongelijkheid.

Helaas ziet het er niet naar uit dat er hier met het huidige beleid snel verandering in zal komen. Op verschillende vlakken worden er immers maatregelen genomen die niet bepaald meer gelijkheid bevorderen.

Ten eerste zijn er de reeds genoemde stijgende kosten. Hoe hoger de factuur, hoe ongelijker de toegang tot onderwijs en hoe groter de kans dat ongelijkheid zich zal reproduceren. Via de stijgende kosten voor kinderopvang en een lagere kinderbijslag voor grotere gezinnen, wordt de kans dat kansarme kinderen hun schoolcarrière zullen starten met een nog grotere leerachterstand bovendien nog vergroot.

Hoewel er op dit vlak veel verwacht werd op van de hervorming van het secundair onderwijs blijkt nu dat het bereikte compromis eerder een lege doos zal worden. Het oorspronkelijke idee van uitstel van studiekeuze tot 16 jaar, waar Georges Monard voorvechter van was, is volledig van de kaart geveegd. Het masterplan van de vorige Vlaamse regering sprak van een uitstel van studiekeuze tot 14 jaar. Hierdoor zou het watervaleffect, waarbij (ouders van) leerlingen – ongeacht hun competenties en interesses – kiezen voor een start in beter aangeschreven studierichtingen,  bestreden moeten worden.

Onderwijs_Techniek_Beroeps

Het oorspronkelijke idee van uitstel van studiekeuze tot 16 jaar is volledig van de kaart geveegd.

Vandaag is duidelijk dat zo’n brede eerste graad er niet zal komen. De onderwijsvormen ASO, TSO, KSO BSO en BuSO blijven bestaan, alsook het hiermee in de hand gewerkte watervaleffect. Het aanbod wordt wel herschikt in functie van de finaliteit (arbeidsmarktgericht, dubbele finaliteit of doorstroomgericht), maar de scholen krijgen de keuze om wel of niet te hervormen. De beschotten tussen de studierichtingen worden niet weggewerkt. Elke richting wordt tevens in een domein (of in 2 domeinen) geplaatst. Scholen kunnen zich organiseren volgens domein of finaliteit of ze kunnen een tussenvorm aannemen. De scholen krijgen ook de vrijheid om alles bij het oude te laten.

Conclusie: de hervorming zal leiden tot een versnipperd en elkaar beconcurrerend landschap, waarbij ouders en leerlingen nog meer (en sneller) keuzemogelijkheden voorgeschoteld krijgen. Het onderscheid tussen goede en minder goede scholen zal nog verscherpt worden en we evolueren naar een onoverzichtelijk kluwen waarbij het voor ouders nog moeilijker zal zijn om een school te kiezen.

Bij het toekennen van de werkingsmiddelen in het leerplichtonderwijs zullen bovendien in de toekomst de gelijke-onderwijskansenindicatoren minder meetellen. Daardoor zullen scholen met veel kansarme kinderen in de toekomst minder van de beschikbare middelen krijgen ten voordele van scholen met veel kansrijke kinderen.

Zullen schoolverlaters beter voorbereid zijn op een job?

Het schoolverlatersrapport van de VDAB, editie 2016, stelt dat het aantal leerlingen dat zonder diploma de school verlaat, daalde van 6.345 tot 5.559 of bijna 8%. Deze daling is volgens de VDAB toe te schrijven aan een groeiend bewustzijn bij de ouders.

Dat is uiteraard een goeie zaak, al blijven we verder verwijderd van de vooropgestelde doelstelling van Vlaanderen, in het Pact 2020, dat een daling van het aantal vroegtijdige schoolverlaters naar 4.3% tegen 2020 voorop stelt.

Tegelijk blijkt echter uit hetzelfde rapport dat de onderwijskloof almaar groter wordt en de kansen voor laaggeschoolde schoolverlaters op de arbeidsmarkt almaar kleiner. We gaan dus nog meer naar een arbeidsmarkt met winnaars en verliezers.

Ongekwalificeerde schoolverlaters zijn zo goed als kansloos op de arbeidsmarkt. Van de groep schoolverlaters die na 1 jaar werkzoekend is, is bijna 1 op 3 laaggeschoold (32.8%) (VDAB, 2015). Deze jongeren zijn en blijven werkloos. Doordat de regering allerhande maatregelen (zoals betaalde werkervaringsprogramma’s of doelgroepkortingen voor langdurig werklozen) heeft afgeschaft of afgezwakt, zullen hun kansen er in de toekomst niet groter op worden.

Onderwijs_Schoolverlater_

De mismatch tussen onderwijs en arbeidsmarkt is al jaren een probleem.

De onderwijshervorming biedt hierbij zoals gezegd ook geen soelaas. Zowel werkgevers als vakbonden pleiten, met het aantal knelpuntberoepen in het achterhoofd, al jaren voor een brede eerste graad en een opwaardering van de technische richtingen. Beiden komen er niet. Het nieuwe stelsel van duaal leren waardoor jongeren sneller kennis zouden kunnen maken met de arbeidsmarkt, lijkt voorlopig ook te zullen uitdraaien op een gemiste kans.

De mismatch tussen onderwijs en arbeidsmarkt is al jaren een probleem. Onder andere daarom wordt er al jaren gehamerd op ‘levenslang leren’, oftewel de deelname aan opleiding en vorming ook na het verlaten van de school. In het Pact 2020 werd nog gesteld dat tegen 2020 minstens 15% van de Vlamingen tussen 25 en 65 jaar zou moeten deelnemen aan permanente vorming.

Vlaanderen blijft bijzonder slecht scoren inzake deelname aan permanente vorming.

Vlaanderen blijft het op dat vlak, alle doelstellingen ten spijt, echter slecht doen met een score van slechts 6.9%. Dit betekent een daling van 0.5% tegenover 2014. In Nederland, Slovenië, het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk ligt het deelnamecijfer hoger dan 15%. In de Scandinavische landen schommelt dit aantal zelfs rond de 30% (Eurostat, 2016).

Ook hier zien we met het huidige beleid geen verbetering in zicht. Naast de reeds genoemde ingrepen in de opleidingscheques en de verhoging van de inschrijvingsgelden, wordt het vizier de laatste tijd steeds meer gericht op het systeem van betaald educatief verlof (BEV). Als men het BEV verzwakt, zoals sommigen van plan lijken, zal de deelname van werknemers aan vorming nog verder de dieperik induiken.

Ommekeer nodig

Hilde Crevits in Plopsaland

Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) in actie

De toekomst van ons onderwijs, en van de leercultuur in het algemeen, ziet er dus niet bepaald rooskleurig uit. Het beleid dat vandaag gevoerd wordt maakt leren voor kinderen en voor volwassenen duurder en ongelijker, en draagt niet bij tot een betere aansluiting met de arbeidsmarkt.

“Jongeren zijn synoniem voor toekomst. Studenten zijn onze grootste natuurlijke rijkdom,” zo stelde het verkiezingsprogramma van de CD&V, de partij die vandaag de minister van Onderwijs levert, het in 2014.

Het is niet te laat voor een ommekeer. Het onderwijs van de toekomst is te belangrijk om te vervallen in besparingslogica en halve compromissen. Een basisonderwijs dat echt gratis is, een onderwijshervorming die het watervaleffect echt aanpakt, een kinderbijslag die verder studeren stimuleert, een toegankelijk volwassenenonderwijs, een sterk uitgebouwd recht op vorming voor werknemers, een billijke bijdrage van bedrijven aan opleidingskosten, een arbeidsmarktbeleid dat wie uiteindelijk toch uit de boot valt niet in de steek laat…

De bouwstenen liggen voor de hand. Maak er werk van.