De Vlaamse regering, de VREG en de distributienetbeheerders willen dat gezinnen en bedrijven anders gaan betalen voor het gebruik van het elektriciteitsnet. Eandis en Infrax (en onrechtstreeks ook de transportnetbeheerder Elia) zouden dan op een andere manier vergoed worden voor de diensten die ze leveren. Dat is slecht nieuws voor veel gezinnen en voor het klimaat. Is er een nieuwe Turteltaks-flater op komst?

Wat wil men veranderen?

De nettarieven zijn goed voor ongeveer 43% van de elektriciteitsfactuur. Het is de vergoeding die de distributienetbeheerders Eandis en Infrax ontvangen voor het beheer van het distributienet. Ook de vergoeding voor het Elia-hoogspanningsnet, de kosten voor openbare dienstverplichtingen (steun hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, sociale maatregelen) en een BTW van 21% zijn er in verrekend.

Tot nu betalen gezinnen die nettarieven op basis van hun elektriciteitsverbruik. Gezinnen die veel elektriciteit verbruiken betalen zo veel nettarief, gezinnen die weinig elektriciteit verbruiken, betalen weinig.

De VREG stelt voor dat laagspanningsklanten (= alle gezinnen + de kleine KMO’s, respectievelijk 70% en 30% van de laagspanningskanten) in de nabije toekomst een belangrijk deel van die nettarieven – nl. de eigenlijke kosten van de distributienetbeheerders, maar niet de kosten voor openbare dienstverplichtingen – zouden betalen op basis van de sterke van hun aansluiting op het elektriciteitsnet.

Dat ‘aangesloten vermogen’ is de maximumhoeveelheid elektriciteit die een klant op elk gegeven moment kan afnemen van het net. De sterkte van de hoofdzekering is daarbij het bepalend element. Hoe sterker die aansluiting, hoe meer ze betalen, en omgekeerd. Die nieuwe methode om de distributienetkosten door te rekenen aan de klanten wordt het ‘capaciteitstarief’ genoemd. Ook voor de middenspanningsklanten zijn er – zij het minder ingrijpende – veranderingen.

Tabel 1: de door de VREG voorgestelde distributienettarieven voor gezinnen en kleine KMO’s, naar gelang de sterkte van het aangesloten vermogen (vermogensrange). KVA = Kilovoltampère (1 KVA stemt ongeveer overeen met 1 kilowatt aan elektrisch vermogen).

Tabel 1: de door de VREG voorgestelde distributienettarieven voor gezinnen en kleine KMO’s, naar gelang de sterkte van het aangesloten vermogen (vermogensrange).
KVA = Kilovoltampère (1 KVA stemt ongeveer overeen met 1 kilowatt aan elektrisch vermogen).

De distributienetbeheerders beweren dat die nieuwe tariefmethode voordelen heeft. Zo zou ze aanzetten tot een efficiënter gebruik van het net en zou ze de distributienetbeheerders verzekeren van een stabieler inkomen (zonder tariefstijgingen). Die beweringen kloppen echter niet.

De factuur van het gewone gezin zal nodeloos stijgen

Het ‘capaciteitstarief’ zal immers wel een belangrijke impact hebben op de elektriciteitsfactuur. Bepaalde klanten zullen hun factuur zien dalen, veel klanten zullen hun factuur juist zien stijgen.

Of een klant wint of verliest, hangt enerzijds af van de sterkte van zijn/haar aansluiting op het net, en anderzijds van zijn/haar elektriciteitsverbruik. Omdat een technisch reglement een bepaalde minimumsterkte oplegt voor nieuwe aansluitingen en omdat lagere inkomens doorgaans minder elektriciteit verbruiken, valt te vrezen dat juist daar meer sprake zal zijn van een stijgende factuur. (Al kan het sociaal tarief de meest kwetsbaren hierin beschermen.)

Deze vrees wordt bevestigd door simulaties van de VREG. Nemen we bij wijze van voorbeeld het profiel van een gezin dat 1.900 kWh per jaar verbruikt en alleen beschikt over een dagmeter. (Het gemiddelde Vlaamse gezin verbruikt 3500 kWh per jaar). Bijna een kwart van de Vlaamse gezinnen (22,42%) benadert dit profiel (zie tabel 2.A).

  • In de huidige situatie betaalt dit gezin 145 euro (zie tabel 2.A).
  • Volgens het VREG-voorstel zal het nettarief voor dit gezin – op enkele uitzonderingen na – minstens 211 euro bedragen (zie tabel 2.B).
  • Maar die som zal voor meer dan de helft van deze groep nog een stuk hoger oplopen. Procentueel stijgt het distributienettarief voor deze gezinnen al snel met 45% tot zelfs 232% (zie tabel 2.C).

Tabel 2 (A, B en C): vergelijking van de bestaande en de voorgestelde tarieven (simulatie van de VREG) voor een gezin dat ongeveer 1.900 kWh verbruikt:

pieter_vreg_2

pieter_vreg_3

pieter_vreg_4

Laagspanningsklanten kunnen hun factuur verlagen door hun aangesloten vermogen te doen dalen. Je vraagt dan gewoon een technische aanpassing van de aansluiting. Dat kan natuurlijk alleen als ze hun piekverbruik systematisch lager houden dan hun aangesloten vermogen. Verbruiken ze op een gegeven moment toch meer elektriciteit dan hun aangesloten vermogen toelaat, dan springen de zekeringen en slaat hun stroomvoorziening uit.

Er is dus een uitweg om de factuur niet te doen stijgen. Een dergelijke aanpassing is echter omslachtig en ze laten doen kost ook geld.

Elke individuele klant moet laten nagaan of zijn hoogste verbruikspiek al dan niet hoger is dan zijn aangesloten vermogen. Als zijn hoogste verbruikspiek duidelijk lager is dan zijn aangesloten vermogen, moet hij zijn netbeheerder vervolgens laten langs komen om een lager aangesloten vermogen in te stellen.

Bovendien beperkt de VREG zelf de mogelijkheid om te kiezen voor een laag aansluitingsvermogen. Het door de VREG vastgestelde Technisch Reglement voor de Distributie van Elektriciteit in het Vlaamse Gewest (Versie 5 mei 2015, Artikel III.3.2.2) bepaalt dat nieuwe aansluitingen voor wooneenheden op laagspanning minimaal moeten beschikken over een aansluitingsvermogen van 9,2 kVA. Dit houdt mogelijk in dat klanten die hun aangesloten vermogen willen doen dalen, nooit lager mogen gaan dan 9,2 kVA en dus altijd minstens in tariefschijf X3 vallen (zie hoger).

Heel wat perverse effecten

Hoe meer klanten hun aangesloten vermogen laten dalen, hoe hoger de totale maatschappelijke kosten oplopen. Er wordt geschat dat die kosten gemakkelijk kunnen oplopen tot 200 à 300 miljoen euro of meer. Een dergelijke ingreep kan dus voor individuele klanten wel de factuur doen dalen, maar zal niet leiden tot belangrijke kostenbesparingen voor het beheer van het net.

De aanpassingskosten die gemaakt worden zijn vooral extra kosten. Want het is niet omdat voor veel aansluitingen het aangesloten vermogen naar beneden toe wordt bijgesteld, dat het net in de praktijk ook anders wordt gebruikt. Daarvoor is meer nodig dan het aanpassen van de hoofdzekering.

Bovendien geldt dat hoe meer klanten hun aangesloten vermogen doen dalen, hoe meer de distributienetbeheerder zijn tarieven moet verhogen om zijn totale inkomen gelijk te houden.

De factuurdaling is dus tijdelijk van aard.

Om de kosten gedekt te houden zal men, wanneer veel mensen een lager aangesloten vermogen laten installeren, opnieuw de tarieven moeten laten stijgen. De claim dat de distributienetbeheerders via het capaciteitstarief verzekerd zijn van een stabieler inkomen (zonder tariefstijgingen), klopt dus niet.

Het capaciteitstarief heeft ook andere belangrijke nadelen. Zo voert het systeem een soort vaste kost in die tegelijk de kost per verbruikte kWh elektriciteit doet dalen. Het aandeel van het verbruik in de factuur daalt dus. Het systeem ontmoedigt daardoor rationeel energiegebruik, wat indruist tegen het streven naar een klimaatneutrale economie. Met een lage prijs per verbruikte kWh loont immers minder de moeite om te investeren in energiezuinige toestellen.

elektriciteit_shutterstock_3

Het capaciteitstarief ontmoedigt rationeel energiegebruik, wat indruist tegen het streven naar een klimaatneutrale economie.

Ook is het maar de vraag of op langere termijn het aanmoedigen van het verlagen van het aangesloten vermogen – wat men dus indirect doet – ook voor de gezinnen een goed idee is. Het is erg waarschijnlijk dat de manier waarop we het net gebruiken in de toekomst sterk zal evolueren. Onder andere is dat het geval wanneer er meer elektriciteit geproduceerd wordt met decentrale installaties voor hernieuwbare energie (vooral zonnepanelen), waardoor de elektriciteit op het net meer in twee richtingen gaat stromen.

Ook andere technologische evoluties kunnen een impact hebben, denk bijvoorbeeld aan de doorbraak van elektrische warmtepompen voor de verwarming van woningen en van elektrische wagens. Die evoluties zijn gewenst, omdat we daardoor veel minder klimaatschadelijke fossiele brandstoffen zullen gebruiken. Maar ze zullen allicht ook voor gevolg hebben dat we in de toekomst eerder hogere pieken in het verbruik zullen kennen en we dus juist een hoger aangesloten vermogen nodig hebben. In dat geval zullen de gezinnen opnieuw de dure aanpassing van het aangesloten vermogen moeten laten doen, ditmaal in de andere richting.

Dan wordt de operatie helemaal een dure en onnodige zaak.

Tot slot is er ook een gevaar inzake perceptie. De hogere kosten waarmee men de gezinnen wil opzadelen, lijken vooral een goede zaak voor de grotere verbruikers binnen een spanningsniveau. Maar tegelijk doet men uitschijnen dat dit een maatregel is ten voordele van hernieuwbare energie en rationeel netgebruik. De perceptie dat vergroening de factuur doet stijgen wordt zo gevoed, terwijl het voorstel daar eigenlijk helemaal niet om draait.

Er zijn alternatieven

Het zomaar invoeren van een ‘dom’ capaciteitstarief is dus een slecht idee, en dat op veel vlakken. Er zijn wel degelijk alternatieven om het rationeel netgebruik te bevorderen die veel minder kosten.

Het gaat bijvoorbeeld om een selectieve plaatsing van slimme meters bij specifieke doelgroepen zoals de bezitters van zonnepanelen of gezinnen en KMO’s die veel verbruiken. Het lijkt in ieder geval niet verstandig om eerst het capaciteitstarief in te voeren en pas daarna te starten met de uitrol van slimme meters. Want die slimme meters maken slimmere nettarieven mogelijk die verbruikers effectief aanmoedigen om beter (rationeler) gebruik te maken van het net om netuitbreidingskosten te vermijden.

Een andere mogelijkheid is om op allerlei manieren werk te maken van het uitvlakken van hoge pieken in het elektriciteitsverbruik in specifieke gebieden waar het net dreigt te begeven door die hoge pieken. Daardoor hoeven in die gebieden dan geen investeringen te gebeuren voor de verzwaring van het net. Voor al die gebieden waar er geen probleem van netcongestie dreigt, levert de verlaging van het aangesloten vermogen immers niet het voordeel op dat investeringen uitgesteld kunnen worden.