Volledige tewerkstelling in 2025! Met die uitgesproken ambitie plaatst federaal minister van Werk Kris Peeters een opmerkelijk punt op de verkiezingsagenda voor 2019. In Vlaanderen was zijn collega Philippe Muyters ervan overtuigd “dat de ambitie terecht is, althans voor Vlaanderen”.

Wij willen dat ook, maar niet via de klassieke recepten van deze regering, namelijk flexibilisering en deregulering. Wat dan wel? Naast voldoende investeringen geven we in deze en de voorgaande blog 7 aandachtspunten mee voor wie echt iedereen aan een job wil helpen. Vandaag bekijken we punt 4 tot 7.

Punt 4: Zorg voor een VDAB die jongeren iets te bieden heeft

Het laag aantal werkende -25 jarigen een logisch gevolg van de toegenomen scholingsgraad. Maar de hiding-out, het fenomeen waarbij de jongeren langer studeren en dus hun intrede op de arbeidsmarkt doelbewust uitstellen om aan de werkloosheid te ontsnappen heeft ook een drukkend effect op de werkzaamheidsgraad van deze groep.

beeld2-1

Heel verontrustend zijn de lage uitstroomcijfers voor laaggeschoolde werkzoekende jongeren (slechts 39% vindt na 1 jaar werkloosheid een job).   Niet alleen omdat vooral zij het slachtoffer zijn van verscherpte voorwaarden, maar ook omdat zij de negatieve effecten bij de intrede op de arbeidsmarkt gedurende heel hun loopbaan meedragen.

Jongeren die intreden in een slechte job, hebben ook een hoger risico op slechtere jobs en lage verloning later in de loopbaan. En zij zijn ook de eerste die ontslagen worden bij nieuwe conjunctuurschommelingen.

In een recent HIVA-onderzoek (S. Desier, A. van Dessel, S. Coomans , L. Struyven. “De externe evaluatie van de Vlaamse jongerengarantie in het kader van het Europese jongerengarantieplan”) wordt bovendien het laag effectief bereik van jongeren uitgelicht.

De VDAB slaagt er moeilijk in om zelfs geregistreerde jongeren te bereiken.

Is het een imago-probleem zoals de VDAB aanhaalt? Het gaat over meer dan dat. Belangrijker is het onvermogen om efficiënt ‘outreachend’ te werken. We moeten dus dringend op zoek naar een methode en visie die het vertrouwen in de arbeidsbemiddelingsdiensten versterkt. Voor jongeren primeert de kwaliteit en vertrouwen in de diensten. Geen sinecure nu ook het sanctioneringsbeleid bij de VDAB zit.

Punt 5: Minder werken en meer gendergelijkheid zijn 2 kanten van 1 medaille

De laatste dertig jaar is onze arbeidsmarkt sterk vervrouwelijkt. Het tweeverdienersmodel werd niet alleen de standaard maar ook financiële noodzaak vormde een belangrijke aandrijving voor ons economisch groeimodel.

Maar daar waar de onbetaalde zorgtijd er niet of nauwelijks op achteruitging groeide een belangrijke genderkloof.

Om deze combinatie werk-privé te kunnen maken plooien vrouwen zich massaal naar deeltijdse arbeid.

Zo zijn 45% van alle vrouwen deeltijds aan de slag tegenover 11% mannen.

beeld2-2

Vrouwen worden hierdoor gedwongen in deeltijdse jobs met lagere lonen te stappen en bouwen veel minder sociale rechten op.  Ze zien door deze keuze ook extra hinderpalen opduiken in het uitrollen van hun gewenste loopbaanpad.

Een eerlijke verdeling van de zorgtaken kan gefaciliteerd worden door ruimte in de arbeidstijd vrij te maken bij de voltijds werkenden. Een arbeidsduurvermindering kan een bijzonder efficiënt instrument vormen om deze genderonevenwichten te herstellen.

Punt 6: Voer gericht beleid naar kansengroepen

De hoera-berichten bij de dalende RVA-cijfers zien we niet vertaald in een proportionele stijging van de werkzaamheidsgraden. Twee belangrijke fenomenen in het Vlaamse gewest, met name verkleuring en vergrijzing, remmen de groei van de activiteitsratio.

De demografische evolutie zorgt er voor dat de beide groepen een voortschrijdend groter aandeel innemen. De werkzaamheidsgraden van deze populaties zijn dan weer een pak lager dan gemiddeld.

beeld2-3

Doordat deze groepen verhoudingsgewijs groter worden duwen zij de gemiddelde werkzaamheidsgraad naar beneden.  Wil men dus inzetten op volledige tewerkstelling dan zal men passend antwoord moeten bieden op de belemmeringen die dit voor deze groepen verhinderen.

Een werkbaar en aantrekkelijk jobaanbod dat ouderen stimuleert om langer maar beter te kunnen werken is dan nodig. En het slopen van de vooroordelen en wegwerken van de discriminatie van mensen met een migratieachtergrond, ouderen en personen met een handicap.

Maar ook laaggeschoolden staan in het verdomhoekje van onze arbeidsmarkt met een werkzaamheidsgraad van slechts 50%.

De klassieke verdringing van deze groepen door hoger geschoolden na de crisis zijn onvoldoende gecounterd met een sturend beleid, waardoor deze groepen verder aandikken en de kloof tussen hoog- en laaggeschoolden alsmaar groter wordt.

En volgens Anna ­Salomons (Universiteit Utrecht) zal door automatisering de aard van onze jobs veranderen, waardoor vooral hooggeschoolden beter af zijn. Dat doet de ongelijkheid verder toenemen. “Het belangrijkste wapen daartegen is onderwijs”, zegt Salomons. “Verder moeten overheden vangnetten creëren en de overgang van de ene naar de andere baan begeleiden.”

beeld2-4

Punt 7: Werk aan de kwaliteit van de jobs

De knelpuntvacatures die worden aangeboden knellen vaak ook op het niveau van de kwaliteit van het aangeboden werk. Het zijn vaak deeltijdse jobs, met slechte arbeidsvoorwaarden en dito lonen.

Een Duits model waarbij mini-jobs niet langer de garantie bieden voor een menswaardig bestaan, maar de armoedeproblematiek simpelweg vergroten, is geen goeie invulling van volledige tewerkstelling. Iedereen een job? Ja maar niet eender welke tegen eender welk loon.

Het volume opleidingsinspanningen dat VDAB voor de groep laaggeschoolde werkzoekenden inzet stagneert al enkele jaren. Dit zou opnieuw moeten stijgen. Het zou de betrachting moeten zijn van de bemiddelingsdiensten dat mensen zich kunnen verbeteren. Sociale promotie moet dus weer een doelstelling worden voor de VDAB. Dat kan o.a. door na te gaan of de incentives voor werkzoekenden toereikend zijn om langdurige opleidingsengagementen aan te gaan.

Lagere uitkeringen en beperktheid ervan in duur duwen werkzoekenden in tijdelijke en niet duurzame jobs. Financiële ondersteuning tijdens een opleidingstraject kan hen daarentegen aanzetten om de competentiekloof te dichten, wat hen plots in aanmerking doet komen voor andere, beter betaalde jobs.

Daarnaast kan ook de overheid een versnelling hoger schakelen om deze groepen in te schakelen.

Arbeidsstatuten zoals GESCO en WEP+ zijn afgeschaft en ingeruild voor tijdelijke opleidingsvloeren. En met het PWA-stelsel verdwijnt een opstapje voor een grote groep voor wie de reguliere opleidingsvloeren te hoog gegrepen zijn. Vroeger konden ook de zwaksten via deze systemen opklimmen op de sociale ladder, met een zekere mate van financiële bescherming. Op welke trede ze nu moeten opklimmen is niet bekend.

Conclusie

In het plan om de volledige werkgelegenheid te realiseren pakt de overheid uit met vastgeroeste recepten van deregulering, flexibilisering, beperking van werkloosheidsuitkeringen en loonlastverlaging.

Met de krapte op de arbeidsmarkt komt echter ook het moment om inspanningen van overheid en werkgevers te vragen.

Aantrekkelijke jobs die perspectief bieden op het creëren van een werkbare maatschappij, dat is wat we nodig hebben. Werk voor iedereen, waarin men zorgt voor kansen, tijd, koopkracht en inkomen voor alle burgers.

Volledige tewerkstelling zonder aandacht voor de kwaliteit van het werk, dat is een schijndoelstelling. Want zoiets kan alleen leiden naar nieuwe armoedeproblematieken en meer ongelijkheid. Iedereen een job? Nee, iedereen een goeie job.