Amerika First! Dat is de kreet waarmee Donald Trump aankondigde dat de VS uit het klimaatverdrag ging stappen. Daar tegenover stond het antwoord van veel andere landen (om Europa en China niet te noemen) dat ze zouden blijven samenwerken om de mensheid te behoeden voor een uit de hand lopende klimaatverandering.

Aan wie van beiden kampen gelijk heeft, hoeven we niet veel inkt te verspillen. Wie een toekomst wil voor deze planeet zal daar niet lang over twijfelen. Maar wat wel opvalt is de retoriek die gebruikt wordt. Het is de moeite om dat even van naderbij te bekijken.

Trump gebruikt “Amerika First” als een devies waarmee hij heel wat van zijn beleidsdaden legitimiteit probeert te geven. “Ik doe het omdat wij de eerste, de beste zijn / moeten zijn.” Daar tegenover staat de boodschap die de andere landen geven met hun statement: alleen door samenwerking geraken we vooruit.

Laten we daarom even stil staan bij wat de begrippen concurrentie en samenwerking vandaag betekenen en hoe ze ons vooruit kunnen helpen.

Waarom we focussen op winnaars

In de economie gaat alle aandacht meestal naar de vrije markt. Op die markt concurreren verschillende economische spelers om een zo groot mogelijk aandeel te verwerven in de verkoop van goederen en diensten. En strijd is er ook rond de toegang tot natuurlijke rijkdommen zoals ruimte, grondstoffen, energiebronnen, water, enz.

Ook werknemers staan op de arbeidsmarkt in concurrentie met elkaar om een job te verwerven en/of om betere loon en arbeidsvoorwaarden te krijgen. In een aantal landen begint die strijd eigenlijk al in het onderwijs: toegang tot bepaalde scholen of opleidingen is een belangrijke voorwaarde voor een succesvolle carrière. Denk bijvoorbeeld aan de Franse École Nationale d’Administration (ENA) waar veel Franse hoge ambtenaren en politici worden opgeleid.

Vormen van concurrentie of strijd zijn er niet in de economie alleen, ze zijn veel ruimer terug te vinden.

Competitie tussen individuele sporters of tussen teams in de sportwereld bijvoorbeeld. En zelfs in gezinnen is er sprake van “sibling rivalry”, een vorm van competitie tussen de kinderen die soms de kop opsteekt.

Op de politieke “markt” concurreren politieke partijen met elkaar om stemmen van kiezers binnen te halen en zo macht te verwerven. Verkiezingen zijn een hoogtepunt in die machtsstrijd. Er is zelfs een verwantschap tussen het concurrentieprincipe en de scheiding der machten in (Westerse) staten. De wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht hebben elk eigen – elkaar aanvullende – bevoegdheden. Die functiescheiding zorgt ervoor dat de drie machten elkaars functioneren kunnen bewaken.

Samenwerken3

Vormen van concurrentie zijn niet alleen wijdverspreid, de voordelen ervan worden ook vaak in de verf gezet. Zo onderstreept de Europese Commissie dat een goed werkende vrije markt  ondernemerschap en efficiëntie bevordert, consumenten meer keuze biedt, de prijzen van goederen en diensten laag houdt en de kwaliteit ervan hoog. Maar ook dichter bij huis zijn de campagnes om mensen aan te moedigen om met mekaar in concurrentie te gaan legio (denk bv. aan de manier waarop ondernemerschap opgehemeld wordt).

Op zich hoeft dat ook geen probleem te zijn. Er zijn voordelen verbonden aan concurrentie, en die zijn niet alleen economisch. Ook in de politieke sfeer bijvoorbeeld zijn concurrentie tussen partijen en functiescheiding tussen onderdelen van de staat belangrijke elementen om een democratie gezond te houden.

Sommige evoluties van de laatste jaren en decennia hebben de focus op concurrentie nog doen toenemen. En het zal duidelijk zijn dat er daar ook heel negatieve effecten aan verbonden zijn. Denk aan de globalisering en de digitalisering, die wereldwijd bedrijven en mensen veel sterker met elkaar in concurrentie heeft gebracht.

In een vierentwintig-uurs en platformeconomie met steeds meer freelancers in plaats van vaste contracten, wordt de concurrentie zelfs absoluut en riskeer je een situatie van iedereen tegen iedereen.

Voeg daarbij de instroom van een groep vluchtelingen die op domeinen als de woningmarkt of de arbeidsmarkt in concurrentie komen met reeds kwetsbare groepen in eigen land, en je krijgt de ideale voedingsbodem voor racisten en populisten die de maatschappij zelf willen onderuithalen.

In zo’n wereld ben je winnaar, of ben je niets. Mensen als Trump spelen daar op in. Het is niet voor niets dat hij zijn uiterste best doet om in hetzelfde rijtje genoemd te worden als andere ‘winnaars’ zoals Steve Jobs of Bill Gates.

Ook onze regeringen rollen vandaag vechtend over straat in een zelf geschreven winner-takes-all scenario waarin samenwerken onmogelijk lijkt. De samenleving riskeert daardoor gepolariseerd te geraken. In extremis verschilt men niet alleen van mening over het te voeren beleid, maar heeft men zelfs andere opvattingen over wat bestaat en wat niet bestaat (voor sommigen bestaat klimaatverandering bv. niet), en gaat men amper nog met elkaar praten.

En de verliezers, die krijgen in het beste geval gewoon weinig maatschappelijke en politieke aandacht. In het slechtste geval is misprijzen hun deel: het zijn dan gelukzoekende migranten die terug in zee gedreven moeten worden, of mensen die kiezen voor een ongezonde levensstijl en dus maar zelf de dokterskosten moeten dragen, of mensen die hun kansen op onderwijs en jobs niet grijpen en dus maar aan eender welk loon moeten gaan werken. Zeg nu zelf, wie supportert er voor de voetbalploeg die altijd verliest?

De andere kant van de medaille: samenwerking

Economische, politieke of culturele strijd krijgt dus heel veel aandacht. Het kleurt de bril waarmee we de wereld bekijken. Politieke gebeurtenissen worden in de media vaak bekeken in termen van winnaars en verliezers. Net zoals de verslaggeving over sportwedstrijden doet het kranten verkopen en vult het veel zendtijd die voorzien kan worden van reclameblokken.

Maar al die aandacht voor conflicten en winnaars doet ons uit het oog verliezen dat er ook een heel andere realiteit bestaat: die waarin mensen samenwerken.

In de economische sfeer is er eigenlijk heel wat samenwerking. Bedrijven werken met elkaar samen in werkgeversorganisaties, op bedrijventerreinen, in waardenketens, enz. Veel succesvolle vormen van innovatie gebeuren via samenwerking tussen bedrijven onderling en/of met onderzoeksinstellingen.

Ook interne samenwerking binnen organisaties en bedrijven heeft veel voordelen. Leidinggevenden die kiezen voor een ‘verdeel en heers’-aanpak tussen en binnen teams slagen er misschien in om de citroen sneller uit te persen, maar op termijn kweken ze interne spanningen en achterdocht, stress, en personeel dat op veilig speelt in plaats van te zoeken naar creatieve oplossingen. Ze worden dus gewoon minder goed en gaan verliezen.

samenwerken1

Samenwerking is de basis voor een bloeiend verenigingsleven en levendige wijken. In teamsporten is het een noodzakelijke voorwaarde voor succes. En in doorgaans individuele sporten zoals tennis doet samenwerking in Daviscupverband de spelers in landenteams soms boven zichzelf uitstijgen. Zelfs een ‘die hard’ van de individuele vrijheid zal in zijn of haar gezin werk moeten maken van samenwerking en dialoog, op straffe van een voorgeprogrammeerde echtscheiding.

Net zoals op de concurrentie, hebben grote bewegingen zoals de globalisering en digitalisering ook een impact op samenwerking.

Burgers hebben meer mogelijkheden dan ooit om zich te verenigen, om met elkaar informatie uit te wisselen, om samenwerkingen op te zetten. En aan de revival van de coöperatieve gedachte, aan de opkomst van burgerinitiatieven en van deeleconomie, kan je zien dat ze dat ook steeds meer doen.

De opbouw van collectieve goederen (commons) zoals Wikipedia en open source software krijgt steeds meer aandacht. Samenwerking is één van de sterktes van coöperaties en meteen één van de zeven ICA-principes die een deel van de coöperatieve wereld huldigt.

Samenwerking wordt zelfs hip. Zelfs McDonalds hanteert tegenwoordig de slogan “the sharing economy”. Zelfs VOKA – dat anders vaak de lof zingt van de winnaars – propageerde op een congres het “Open Ondernemen” als manier om de krachten te bundelen: samen met medewerkers, met andere bedrijven, met kennisinstellingen, met de overheid.

Mensen met veel geld kunnen zich vaak een weg kopen uit de problemen die ze tegenkomen op hun levenspad, maar mensen met weinig middelen moeten samenwerken om diezelfde problemen te overwinnen.

Er is dus wel degelijk gelijktijdig een beweging bezig die inzet op meer en anders samenwerken. Die is gestoeld op een oud inzicht: mensen met veel geld kunnen zich vaak een weg kopen uit de problemen die ze tegenkomen op hun levenspad, maar mensen met weinig middelen moeten samenwerken om diezelfde problemen te overwinnen.

In het verleden hebben we al dergelijke bewegingen gehad, en heeft dat zich uiteindelijk vertaald in mechanismen als gemeenschappelijke belangenverdediging en collectieve loononderhandelingen die ervoor zorgen dat iedereen deelt in wat er in de economie aan waarde gecreëerd wordt. Het kreeg ook vorm in allerlei collectieve oplossingen (bv. onderwijs betaald uit algemene middelen) en verzekeringssystemen op het vlak van onder meer ziekte, werkloosheid en pensioenen. Wie weet wat voor sociale verworvenheden er in de toekomst zullen uitgevonden worden via samenwerking?

Moraal van het verhaal

De moraal van het verhaal is dat samenwerking en concurrentie allebei als een soort Yin en Yang deel uitmaken van onze samenleving. Concurrentie krijgt vandaag meer aandacht, als een gevolg van een dominant neoliberaal model. Soms lijkt alles daardoor te draaien om winnaars en verliezers.

De andere kant van de medaille, dat mensen samenwerken, blijft onderbelicht en krijgt minder aandacht. Maar dat betekent niet dat die samenwerking er niet meer is. Integendeel, ook de manieren en mogelijkheden om samen te werken veranderen, en leggen zo mee de basis van hoe de wereld er in de toekomst zal gaan uitzien. Want op concurrentie alleen bouw je geen toekomst.