Begin oktober haalden 7 Gentse ABVV-leden hun gelijk voor het Hof van Cassatie. Met de steun van de juridische dienst van het ABVV waren ze naar de rechtbank getrokken na een halvering van hun uitkering. De RVA had geoordeeld dat de zeven samenwoonden en niet alleen minder uitkering verdienden, maar ook nog een boete dienden te betalen van 1.500 euro. Klopt niet, reageerden de zeven. Wij doen aan cohousen, en dat is iets helemaal anders.

De zeven kregen nu gelijk en dat zou wel eens een revolutie in het uitkeringsstelsel kunnen betekenen. De RVA zal alvast nieuwe instructies moeten opstellen.

Samenwonen was vroeger een gezin

In de meeste takken van onze sociale zekerheid is de hoogte van je uitkering afhankelijk van je gezinssituatie. Wie alleen woont, krijgt minder dan wie samenwoont. Wie samenwoont met een andere uitkeringsgerechtigde (‘bevoorrecht samenwonende’) krijgt iets meer dan wie samenwoont met iemand die een beroepsinkomen heeft. En ben je alleenstaand met een persoon ten laste, dan krijg je meer dan wanneer je niemand ten laste hebt.

Voorbeeld: bedrag inschakelingsuitkering

leeftijd alleenwonend samenwonend Samenwonend met gezinslast Bevoorrecht samenwonend
-18 jaar 340,08€/m 286,00€/m 1.214,20€/m 309,92€/m
18-20 jaar 534,30€/m 456,04€/m 1.214,20€/m 497,90€/m
21+ jaar 892,58€/m 456,04€/m 1.214,20€/m 497,90€/m

Het idee daarachter is dat wanneer je met iemand samenwoont, je daar ook een gezin mee vormt en de inkomsten en kosten deelt naar vermogen.

We gaan er met andere woorden vanuit dat er solidariteit is tussen mensen die samenwonen. In gezinnen is dat gewoonlijk het geval, maar er wonen ook heel wat mensen samen die geen gezin vormen.

Ouderen die een verdieping van hun te groot geworden huis verhuren, jongeren die samen huren om kosten te besparen, zorgwonen,… Steeds vaker zien mensen voordelen aan samen huizen, zonder dat ze daarom de intentie hebben om een gezin te vormen.

maar nu niet meer

Wanneer je een uitkering aanvraagt, moet je zelf aangeven wat je gezinssituatie is. De uitkeringsinstelling moet nagaan of wat je verklaart overeenstemt met hoe je bent geregistreerd in het rijksregister. De RVA doet een grondigere controle, door gegevens van verschillende databanken te kruisen. Als zij vaststellen dat er verschillende mensen op hetzelfde adres zijn gedomicilieerd, gaan ze ervan uit dat er sprake is van samenwoning. Ingeval van twijfel kan er ook een huisbezoek gebeuren, maar dat gebeurt eerder uitzonderlijk. Als de RVA meent dat de werkelijke situatie niet overeenstemt met wat je hebt aangegeven, kan ze niet alleen je uitkering verminderen maar ook uitkeringen terugvorderen voor het verleden en eventueel een sanctie opleggen.

Volgens de werkloosheidsreglementering moet aan 2 criteria voldaan zijn om te spreken van samenwoning: (1) wonen onder hetzelfde dak én (2) in hoofdzaak gemeenschappelijk regelen van de huishoudelijke aangelegenheden. Een uitkeringsgerechtigde kan dus weerleggen dat hij samenwonend is door aan te tonen dat er geen gemeenschappelijke huishouding is. Maar wat is nu precies een “gemeenschappelijke huishouding”? Dat is de vraag waarrond de hele rechtszaak draaide en waarover het Hof van Cassatie zich onlangs heeft uitgesproken.

en dat verandert wel wat

De RVA houdt voor dat er een gemeenschappelijk huishouden is zodra de samenwoning een financieel-economisch voordeel oplevert. Als je dus door samen te wonen goedkoper kan huren, gemeenschappelijke ruimten kan delen, minder kosten hebt voor verwarming en elektriciteit, dan haal je er een financieel voordeel uit en ben je samenwonend. Als je die redenering volgt, is er zowat altijd een gemeenschappelijke huishouding want samen kosten delen, brengt altijd een financieel voordeel met zich mee.

Voor velen is dit een van de redenen om een huis te delen. Als je moet rondkomen met een uitkering van 534€ heb je ook niet veel keuze…

Het ABVV voerde dan ook aan dat er enkel sprake is van een gemeenschappelijk huishouden als er ook daadwerkelijk wordt samengeleefd. Dat was niet het geval voor de 7 betrokken leden: elke bewoner had een afzonderlijk huurcontract afgesloten, had een eigen kamer, deed zijn eigen boodschappen, kookte apart,… Er was dus ook geen sprake van financiële afhankelijkheid tussen de medebewoners.

En dat is meteen ook het standpunt van het Hof van Cassatie. Het hof oordeelde:

“Om te kunnen besluiten dat twee of meer personen die onder hetzelfde dak wonen hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen en dus samenleven, is vereist, maar volstaat het niet, dat zij een economisch-financieel voordeel behalen door een woning te delen. Daarvoor is tevens vereist dat zij ook taken, activiteiten en andere huishoudelijke aangelegenheden, zoals het onderhoud van de woonst en eventueel het inrichten ervan, de was, de boodschappen, het bereiden en nuttigen van de maaltijden gemeenschappelijk verrichten en daarvoor eventueel financiële middelen inbrengen.

De rechter oordeelt in feite of de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk worden geregeld.”

met gevolgen

Als we de interpretatie van de RVA volgen, wordt het zo goed als onmogelijk om te weerleggen dat er samenwoning is wanneer er meerdere mensen op hetzelfde adres zijn gedomicilieerd. Het is dus een belangrijke stap vooruit dat het Hof van Cassatie deze interpretatie verwerpt.

De RVA heeft voorlopig nog geen nieuwe instructies opgesteld, maar dat zal wel moeten gebeuren. In afwachting kan je bij de werkloosheidsdiensten van het ABVV alvast laten registreren dat je cohouser bent.

Als je je in het verleden als samenwonend hebt laten registreren terwijl je eigenlijk alleenstaande samenwoner bent, kan je dit voor de toekomst laten aanpassen.

In geval van geschil is het wel nog steeds aan de uitkeringsgerechtigde om aan te tonen dat er geen gemeenschappelijke huishouding is. Dit kan bijvoorbeeld door aan te tonen dat de verschillende huurders elkaar vooraf niet kenden, dat elk zijn eigen kamer heeft en apart huur betaalt, dat de boodschappen afzonderlijk worden gedaan,… Het is dan aan de rechter om op basis van de voorgelegde bewijsstukken te oordelen of er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding.

ook voor andere uitkeringen

Het arrest had betrekking op een werkzoekende jongere met inschakelingsuitkeringen. Maar het kan ook relevant zijn voor heel wat andere uitkeringsgerechtigden. Dezelfde definitie van samenwoning geldt voor alle werkloosheidsuitkeringen en ook voor het leefloon. Daarnaast wordt ook in de ziekteverzekering en de inkomensgarantie voor ouderen het bedrag van de uitkering bepaald door de gezinstoestand van de gerechtigde.

De rechtspraak met betrekking tot het leefloon ging al langer de goede richting uit. Deze stelt steeds duidelijker dat het louter delen van een woonst niet volstaat om te besluiten tot samenwoning, ook al zijn er gemeenschappelijke ruimten, een verdeling van de gemeenschappelijke kosten en eventueel afspraken voor het onderhoud van de gemeenschappelijke ruimten. Wel doorslaggevend is de vraag of er een gemeenschappelijk vermogen is waarmee de uitgaven en kosten voor het huishouden worden betaald.

De regelgeving m.b.t. de verplichte ziekteverzekering is minder duidelijk. Deze stelt dat de gezinstoestand aangetoond wordt op basis van informatie uit het rijksregister, tenzij kan worden aangetoond dat deze niet overeenstemt met de werkelijke toestand. Een gelijkaardige bepaling geldt voor de inkomensgarantie voor ouderen. In die wetgeving wordt niet expliciet bepaald dat tegenbewijs geleverd kan worden. Nochtans is er wel al rechtspraak die aanvaardt dat tegenbewijs geleverd kan worden, meer bepaald met een maatschappelijk verslag van het OCMW.

Wie onterecht is geregistreerd als samenwonende, kan dit voor de toekomst laten aanpassen bij de werkloosheidsdienst van het ABVV. Het adres van de werkloosheidsdienst in je buurt vind je hier.